Op Liberty Plaza geeuwt de politie

Bij het Occupy-protest op Wall Street hoort correspondent Guus Valk echo’s van het Tahrirplein in Kairo, waar hij ook was. Maar: weten ze wel hoe een kogel langs je oren klinkt?

An Occupy Wall Street member eats on Zuccotti Park near Wall Street in New York, October 25, 2011. AFP PHOTO/Emmanuel Dunand AFP

Hij zat me een beetje dwars, Tyler Combelic. Deze jonge webdesigner uit Brooklyn, nu actieleider van de beweging Occupy Wall Street, trok begin deze maand in The New York Times een gewaagde parallel toen hij zei dat de geest van het Tahrirplein in Kairo was overgewaaid naar New York. Hij omschreef het als het gevoel van „genoeg is genoeg”.

Combelic was niet de enige van de Occupy Wall Street-beweging die het Tahrirplein vergeleek met het zogeheten Liberty Plaza in New York. Bij het begin van de protesten, half september, las ik een advertentie van een voorhoede van activisten op internet. De slogan: ‘Ben jij klaar voor een Tahrir-moment?’

Zou het echt? Is de groep van honderden boze Amerikanen in New York en inmiddels enkele tientallen andere steden, niets minder dan een westerse variant van de 25-januaribeweging in Egypte? Je zou het zo kunnen zeggen, legden enkele activisten in New York me uit. Waar de Egyptenaren met succes in opstand kwamen tegen een drie decennia durende dictatuur, machtsmisbruik, corruptie en politiegeweld, hebben duizenden Amerikanen genoeg van de duistere kanten van hún maatschappij. De hebzucht op Wall Street, de politieke verlamming in Washington, de werkloosheid, de ontsporende economie.

Terwijl ik op en neer wandel op het kleine Liberty Plaza, denk ik terug aan Egypte. Ik deed, vaak vanaf het Tahrirplein, verslag van de revolutie die begon op 25 januari en drie weken later president Hosni Mubarak tot aftreden dwong. Er zijn inderdaad uiterlijke overeenkomsten. In New York zie ik weer de tentjes, de opruimploegen die afval oprapen, het delen van voedsel. En vooral: de debatten. Iedere vraag, ieder gesprekje loopt meteen uit op een groepsdiscussie. Soms sta ik tientallen omstanders simultaan te interviewen, omdat ik één iets gevraagd had.

Net als het Tahrirplein krijgt Liberty Plaza eigen rituelen, die de aanwezigen het gevoel geven dat ze deel uitmaken van iets groters. De Egyptenaren deelden eten, liedjes en gedichten. Als een legerhelikopter overvloog, maakte iedereen een wegwerpgebaar. De Amerikaanse betogers hebben, aanvankelijk uit nood geboren, het voortzeggen van toespraken tot hun handelsmerk gemaakt. Als iemand het woord heeft, praten alle omstanders hem zin voor zin na, zodat iedereen het kan horen. Geluidsinstallaties zijn verboden op het plein.

De betogers in New York zeggen dat het gevaarlijk is wat ze doen. Ze kunnen hun baan kwijtraken, en de politieagenten rondom het plein zijn nooit te vertrouwen. Ja, denk ik dan, maar weten ze hoe een kogel klinkt die over je hoofd scheert? Of F-16’s die boven het plein intimiderende loopings maken, zoals op Tahrir? Je baan op het spel zetten, oké, maar je leven? De Egyptische politie schoot al na een paar dagen met scherp op de betogers, er vielen die dagen honderden doden. Ik kijk op Liberty Plaza naar een geeuwende politieman naast me en denk: nee, dit gaat hier niet gebeuren.

Echo’s van Egypte hoor ik wel in gesprekken met demonstranten. Met Samantha Kagan uit New Jersey bijvoorbeeld, financieel analist en demonstrant. Ze zit op de grond eindeloos te hannesen met een viltstift en stukken karton. Maar de meeste moeite heeft ze met het verzinnen van een slogan. Ze denkt na en schrijft dan: ‘Stop! Jullie maken ‘ons’, het Amerikaanse volk, dood met jullie hebzucht?’

Ze vindt het niks, haar eigen spreuk. Te ingewikkeld, te vaag. Dan merkt ze zelf het vraagteken op waarmee ze haar boodschap aan Wall Street om onduidelijke redenen afsluit. Ze zucht, pakt haar viltstift en denkt na over een nieuwe leus.

Kagan slaapt al dagen in het Zuccotti Parc (de echte naam van Liberty Plaza). Niet omdat ze schulden heeft, niet omdat haar Afro-Amerikaanse familie het slecht heeft. Het gaat eigenlijk best goed, zegt ze. Nee, ze sloot zich aan bij Occupy Wall Street omdat ze voor het eerst in haar leven vragen wilde stellen bij de onwrikbare zekerheden in haar leven. De bankiers, de politici, die haar geld beheren en beslissingen over haar leven nemen, vertrouwt ze niet meer, zegt Kagan.

Ze deed me denken aan Amr Mehanna, de jonge ondernemer die ik op 1 februari leerde kennen op het Tahrirplein. Honderdduizenden Egyptenaren kwamen die dag, de Dag van Vertrek, samen op het Tahrirplein in Kairo, het epicentrum van een ongekende volksopstand tegen president Hosni Mubarak.

Mehanna had veel te verliezen, zoals zo veel mensen. Hij had een goede baan, leverde fitnesstoestellen aan de zoons van Mubarak, was net vader geworden.

Evenmin als Samantha Kagan was Amr een outsider en evenmin zag hij zichzelf als een slachtoffer van het systeem. Terwijl honderdduizenden om hem heen ‘Irhal!’ (vertrek!) riepen, zei Amr dat het regime-Mubarak hem alle kansen bood. „Dat is een wrang idee, omdat er ook zoveel corruptie is.”

Waarom dan toch meedoen? Amr glimlachte. „Misschien wel het idee dat ik iets kan doen tegen een gehate dictator. Als mijn dochtertje later groot is, wil ze niet horen dat haar vader vandaag thuis was gebleven.”

Nicholas Kristof, columnist van The New York Times, heeft net als ik zowel de Egyptische revolutie als Occupy Wall Street meegemaakt. Hij twitterde eind september vanaf Liberty Plaza dat de protesten in New York hem deden denken aan zijn dagen op het Tahrirplein: „Slim gebruik van sociale media, carnavalssfeer en een diep gevoel van frustratie en verloren rechten.”

Later kwam hij er in zijn column op terug. „Inderdaad, er vliegen hier geen kogels rond, en de beweging zal geen dictators afzetten. Maar er is eenzelfde groep vervreemd geraakte jongeren [...] en vooral een tij van frustratie over een politiek en economisch systeem dat de demonstranten zien als bankroet, corrupt en onafrekenbaar.”

Misschien is het toeval – ik denk het niet – maar 2011 is het jaar van de wereldwijde protestbewegingen, die zich met wisselend succes manifesteren in het Midden-Oosten, Europa en Amerika.

Activisten in New York vertellen dat ze de kunst ook afkeken van Spanje, waar in mei tienduizenden jongeren in verschillende steden pleinen bezetten. De reden daar was onder meer de hoge jeugdwerkloosheid, en de economische malaise in Spanje.

Inspiratie werd ook gevonden in Israël, waar in juli de sociale protestbeweging #j14 de grootste demonstratie sinds de historische Vrede Nu- betoging in de jaren tachtig wist te organiseren. De organisatie beperkte het protest tot één zaak: de torenhoge huizenprijzen.

In New York is de onvrede veel diffuser, het hangt er maar van af met wie je praat. Maar de weg die betogers hebben afgelegd om een plein te bezetten, komt wél overeen. De Amerikanen zijn geïndividualiseerd, evenals de jongeren in Egypte. Jonge Egyptenaren, wijs geworden van leven in een politiestaat, keken wel uit zich te organiseren. Leiders van de protestbeweging bouwden maandenlang van onderop aan een groot netwerk. Op Facebook-groepen konden jongeren ideeën uitwisselen, waardoor de schroom langzaam verdween.

In het geïndividualiseerde Amerika leeft niet zozeer angst, maar voelen jongeren zich niet vertegenwoordigd door vakbonden of politieke partijen. De organisatie van Occupy Wall Street bouwde een beweging zonder leiders en een organisatie van individuen. Deze krijgt volgens een gisteren gepubliceerde peiling in National Journal steun van circa 58 procent van de bevolking.

De deelnemers aan de Occupy-protesten zijn verenigd in hun scepsis over de gevestigde politieke orde. „Ik heb nog nooit van mijn leven gestemd”, vertelde Ruth, een Afro-Amerikaanse vrouw, op Liberty Plaza. Ze heeft geen begrip voor de ergernis van enkele Democratische politici die zich openlijk hebben afgevraagd waar al die boze mensen waren in 2010, toen de Democraten een enorm verlies leden bij Congresverkiezingen. Ruth: „Waarom zou ik de Democraten moeten helpen, of een andere politieke partij? Ze maken ook deel uit van het systeem. Het zijn net zulke vrienden van de banken als de Republikeinen.”

Sociale media vormden een sleutel van het succes van Occupy en Tahrir, omdat oude platformen sleets bleken. Vorige week zat een groot restaurant in Washington bomvol toen bloggers uit Israël en de Arabische wereld met elkaar in debat gingen over de rol die Facebook en Twitter spelen bij protestbewegingen. Telkens was de vraag vanuit het publiek: kan wat in Egypte gebeurde, ook in de Verenigde Staten?

Joseph Dana, een jonge Amerikaans-Israëlische blogger die veel publiceert over Palestijnse protestbewegingen, verwachtte daar veel van. Sociale media hebben de toekomst, zei hij, omdat ze kritische massa mobiliseren en groepen blijvend op de hoogte houden. „Daarbij kunnen bloggers en twitteraars meteen de versie van de werkelijkheid van hun tegenstanders pareren.”

Sociale media hebben de wereld blijvend gedemocratiseerd, vindt Dana, en de wereldwijde betogingen zijn daar het bewijs van.

De ‘zaak’ Occupy Wall Street heeft op Facebook nu ruim 90.000 leden. Als die allemaal tegelijk de straat op gaan, heb je een aardige demonstratie. Maar een centraal idee heeft Occupy Wall Street nog steeds niet, ondanks uitpuilende reactiepanels.

Misschien is de les van Egypte vergeten. Daar speelden Twitter en Facebook een rol in het organiseren van de beweging. Maar toen de demonstraties begonnen, was de rol van sociale media uitgespeeld. Internet werkte niet in Egypte tijdens de cruciale dagen van de revolutie.

Toen ik Egypte bezocht in de tijd dat Mubarak nog regeerde, viel me op hoe diep de haat tegen de president en zijn corrupte regime zat bij de bevolking. Het doel was er al, er was alleen nog geen massa om Mubarak weg te krijgen. Bij de Occupy-beweging is het andersom. Massa zoekt doel.

Guus Valk

    • Guus Valk