Oorlog in het vuur van vrije liefde

Twee grote romans over Spanje ten tijde van oorlog en terreur. Antonio Muñoz Molina laat ons meeleven met een halfslachtige figuur, die het niet tot held zal schoppen. Joan Sales (1912-1983) koos voor een Dostojevski- achtige hoofdrolspeler, die ook niet in een hokje past.

1936-1939, Loyalist soldiers in the Spanish Civil War Photononstop

Antonio Muñoz Molina: De nacht der tijden. Vert. Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan-van Braam. De Geus, 926 blz., € 25,–

Joan Sales: Ongewisse glorie. Vert. Adri Boon. Menken Kasander & Wigman, 632 + 280 blz. € 49,50

Zoals de Tweede Wereldoorlog nog altijd de Nederlandse letteren beheerst, zo doet de Spaanse Burgeroorlog dat met de literatuur van Spanje. Het lijkt wel alsof er ieder jaar meer romans verschijnen over de tragische gebeurtenissen tussen 1936 en 1939 en de nauwelijks minder traumatische gevolgen in de periode na de oorlog. Maar gaandeweg is er in die romans iets aan het veranderen. Niet langer staat daarin een kamp van lelieblanke idealisten tegenover een bende aartsslechteriken (eerst de opstandelingen tegenover de rooien, en na de dood van Franco precies andersom). De geschiedenis van de Burgeroorlog krijgt steeds meer grijstinten.

Dat blijkt duidelijk uit de zojuist vertaalde, vuistdikke roman De nacht der tijden van Antonio Muñoz Molina, een van Spanjes meest toonaangevende romanciers van dit moment. Het ‘rooie’ Madrid waarin de roman zich afspeelt is niet alleen meer een stad van helden. En de hoofdpersoon, die alles in zich heeft voor een politieke glansrol, is geen toonbeeld van deugd maar een niet al te moedige en zelfs niet al te betrouwbare twijfelaar.

Ignacio Abel heet hij, en hij is architect. Hij studeerde aan het Bauhaus, hij spreekt zijn talen en, zelf van uiterst bescheiden afkomst, zou hij model kunnen staan voor het nieuwe Spanje van de Republiek: open, vooruitstrevend, seculier. Midden jaren dertig is hij belast met de bouw van de nieuwe universiteitscampus van Madrid. Die moet het zichtbare teken worden van een land waarin verdiensten tellen boven stand, herkomst of geslacht. In zijn droom ziet hij jongens en meisjes al van heinde en ver de collegezalen binnenstromen.

Muñoz Molina heeft zijn roman gesitueerd op het kantelmoment van die droom, tussen het najaar van 1935 en september 1936. In het begin kan Ignacio Abel nog onbekommerd een lezing houden in de beroemde Residencia de estudiantes (het studentenhuis van Buñuel, Dalí en Lorca) en daar de Amerikaanse studente Judith tegenkomen, de liefde van zijn leven. Maar in het voorjaar volgen de politieke moorden elkaar steeds sneller op en krijgt de angst een vertrouwde plaats in het dagelijks leven. Totdat in juli de bom barst, een junta van generaals in opstand komt en het republikeinse Madrid het toneel wordt van een rode contra-terreur.

Vooral die laatste wordt door Muñoz Molina tot in de wrangste details beschreven. Dat is nog altijd tamelijk ongehoord in de Spaanse literatuur van na Franco, die bijna natuurlijkerwijs stem gaf aan het verslagen en een halve eeuw lang onderdrukte kamp. Ook in zijn eigen debuutroman Beatus Ille uit 1986 laat Muñoz Molina een duidelijke sympathie doorschemeren voor het antifranquistische verzet.

Maar nu toont Muñoz Molina de ontstellende symmetrie in de wreedheden waarin beide kampen in de burgeroorlog elkaar spiegelden – al bleken de franquisten uiteindelijk baas boven baas. ‘De onzen doden in woede en onbeholpen, de tegenstanders met het methodische beleid van beulen’, zo laat hij Ignacio Abel denken. ‘Geen van beiden slaapt ’s nachts. ’s Nachts biedt het beoogde slachtoffer nog minder weerstand.’

Ook Abel zelf valt bijna ten prooi aan de patrouilles die her en der mensen van hun bed lichten en achterlaten in greppels of tegen tegen een kerkhofmuur. Door een paar van zijn voormalige ondergeschikten wordt hij als ‘fascist’ meegevoerd naar zijn eigen universiteitscampus, die in een wrange omdraaiing van alle idealen plots een geliefde plek voor illegale executies geworden was. Ternauwernood gered, beseft hij hoe ironisch zijn positie is. Opgeklommen vanuit het volk dat zijn ontvoerders zeggen te representeren geldt hij voor hen als ‘klassevijand’, soms enkel omdat hij een hoed en goede schoenen draagt.

Dit huiveringwekkende beeld van het ‘rode’ Madrid is Muñoz Molina in Spanje niet door iedereen in dank afgenomen. En misschien nog wel minder de ontluisterende portretten die hij schildert van politici als Volksfront-premier Azaña en schrijvers als Rafaël Alberti en José Bergamín. Op een enkele uitzondering na (zoals de rusteloze staatsman Juan Negrín en de onverstoorbare dichter José Moreno Villa, de directeur van de Residencia) blinken zij uit in ijdelheid en incompetentie: operettefiguren in een tragedie waarvan zij de pijn zelf nauwelijks hoeven te dragen.

Scherp contrasteert Muñoz Molina hen met de (fictieve) Duits-joodse professor Rossman, met wie hij Ignacio Abel in het Bauhaus laat kennismaken als een briljant docent. Door Hitler verjaagd naar Rusland en vandaar weer naar Spanje, eindigt Rossman als sjofele straatverkoper van vulpennen, zonder ooit zijn waardigheid of beleefde manieren te verliezen. Ook hem laat hij door Ignacio Abel teruggevonden worden in het lijkenhuis.

Tussen die twee uitersten in slaat Ignacio Abel zelf geen heldenfiguur. Je zou hem eerder de belichaming van de halfheid kunnen noemen. Sociaal hoort hij nergens bij: niet bij het volk waaruit hij afkomstig is, maar evenmin bij de betere kringen waarin hij zich heeft ingetrouwd. Hij is een goed huisvader, maar laat zijn gezin ten slotte in de steek voor de liefde van Judith. En wanneer hij in de zomer van dat jaar naar de VS vertrekt om een universiteitsbibliotheek te bouwen, weet hij zich een deserteur van zijn eigen land.

Bijna duizend bladzijden lang weet Muñoz Molina deze halfslachtige, en daardoor zo menselijke figuur in het centrum van de aandacht te houden. Met lange, welgevormde (en fraai vertaalde) zinnen laat hij hem mijmeren over het ongelukkige lot van Spanje, over de wreedheid van het mensenras, en over de liefde die hem bij Judith doet opleven maar waarvoor hij zijn vrouw verraden heeft. Want ook tegenover Ignacio is Muñoz Molina streng. Wanneer hij in het anarchistische Madrid zijn fascistische zwager aan de deur hoort smeken om onderdak dat hem het leven kan redden, vergeet hij al zijn beloften en zelfs zijn menselijkheid. Hij zwijgt – en de lezer stelt zich onvermijdelijk de ongemakkelijke vraag wat híj in zijn plaats gedaan zou hebben.

Dat is ongetwijfeld de opzet van de schrijver geweest. Niet voor niets staat Muñoz Molina (vooral op grond van zijn columns) in Spanje bekend als een moralistisch schrijver. Daar heeft hij het recht toe – en in een roman over de Burgeroorlog des te meer.

Die vraag maakt dit onthutsende boek op een pijnlijke manier indringend. Maar helemaal origineel is Muñoz Molina daarin niet. Al ruim vijftig jaar geleden, in 1956, stelde de Catalaanse schrijver Joan Sales in de eveneens zojuist vertaalde en al bijna even dikke roman Ongewisse glorie zijn lezers al voor vergelijkbare problemen. De handeling daarvan speelt zich niet af in Madrid maar aan het front in Aragón en in Barcelona. Het beeld van het republikeinse kamp, geschreven door een aanhanger daarvan, wordt er nauwelijks flatteuzer door.

Sales, die bij het schrijven van zijn roman sterk op eigen ervaringen steunde, laat zijn boek draaien om vier hoofdrolspelers en hakt de vertelling in even zovele delen. Maar niet elke hoofdfiguur krijgt een deel. Na de dagboekaantekeningen van de jonge onderofficier Lluís de Brocà, afgestudeerd jurist met geld en een weinig standvastig karakter, volgen de brieven van zijn vrouw Trini vanuit het gebombardeerde Barcelona. Die brieven zijn niet gericht aan hem, maar aan hun jeugdvriend Juli Soleràs, bij wie ze haar hart uitstort over de onverschilligheid van wie ze niet eens haar ‘echtgenoot’ mag noemen: in het vuur van de ‘vrije’ liefde die in het anarchistische kamp in hoog aanzien stond is het van een huwelijkssluiting nooit gekomen.

Je zou verwachten dat daarna Soleràs het woord zou krijgen, maar zowel het derde als het (later als afzonderlijk boek uitgege- ven) vierde deel worden verteld door de vaandrig-arts Cruells, die als seminarist vrijwilliger is geworden in het republikeinse leger en na de oorlog zijn priesterroeping opnieuw zou volgen. Soleràs blijft de raadselachtige figuur die hij wíl zijn en om wie de anderen heen draaien zonder ooit helemaal greep op hem te krijgen. Hij is een Dostojevski-achtige figuur, vol onrust, tegenstrijdigheid en cynisme, er altijd op gebrand de anderen op het verkeerde been te zetten.

Net als Ignacio Abel is Soleràs een figuur die in geen enkel hokje past. Maar terwijl we die eerste bij Muñoz Molina van binnenuit leren kennen, blijft Soleràs een aanstootgevend raadsel. Tweemaal verandert hij tijdens de Burgeroorlog van partij, liefst doet hij zich voor als schurk of pornomaan (maar voorziet Trini en haar kind heimelijk van gecondenseerde melk), hij is de tweelingbroer van Iwan Karamazov die schopt tegen alle heilige huisjes, maar intussen een verbeten strijd uitvecht met zijn eigen verlangen naar verlossing.

Probeert Ignacio Abel bij Muñoz Molina in het reine te komen met zijn eigen halfheid, in de monumentale roman van Sales staan er metafysischer belangen op het spel. Maar beiden situeren hun protagonisten in een Burgeroorlog die van alle glans is ontdaan. Ideologische tegenstellingen verdwijnen in de pure overlevingsdrang en vaak diepe onwetendheid van al wie door de strijd wordt meegesleept of overweldigd. Ingekwartierd in een godvergeten gehucht aan de Aragonese front ontdekt Lluís de Brocà dat de oude vrouw die zijn maaltijden kookt een kleinzoon heeft in het andere kamp. ‘Voor haar’, schrijft hij, ‘is het allemaal één pot nat, ze gelooft dat we ‘allegaar met één sop overgoten zijn’, en misschien heeft ze nog wel gelijk ook.’