Meisjes met mooie vlechten

Overal in het Akropolismuseum staan verspreide kores. Dit zijn beelden van vrouwen. Ze hoorden thuis op de Akropolis. Daar hadden ze vermoedelijk een plaats en een functie. Nu hebben ze die niet meer. Ze staan mooi en onbegrijpelijk te wezen in de museumzaal. Nooit meer, en dat is een raar idee, nooit meer zullen ze begrijpelijk worden. Ze zijn restanten uit een tijd waarvan knappe reconstructies worden gemaakt en waarover geleerde onderzoekers allerlei gissingen en veronderstellingen ten beste geven, maar die onachterhaalbaar is.

Elke tijd is dat natuurlijk. Als je door de ruiten van het museum kijkt, zie je soms de Akropolis zelf en soms delen van de stad. Hiervan weet je niet veel, al sta je in je eigen tijd te kijken. Je komt gewapend met allerlei ideeën over en voorstellingen van hoe het zal zijn in Griekenland, maar hoe de mensen leven, wat het betekent voor de vrouw die haar dochtertje staat te wijzen op een archaïsch beeld en iets uitlegt over de mythologische achtergrond van Athene dat de werkloosheid hier elke dag stijgt, dat de Griekse regering heeft gelogen over de begrotingstekorten en dat de bezuinigingen nog veel draconischer zullen worden – je weet het niet. Zij is een individu, met een eigen verhaal. Dit is niet het grote verhaal over de Europese Unie en de Griekse staatsschuld en ook niet het verhaal over ‘de’ Griekse werkelijkheid.

In de kranten en op de televisie was de afgelopen tijd te zien hoe het in Athene was. Het was gevaarlijk – hevige opstanden, stenen gooiende mensen, molotovcocktails, hysterische woede. Dit was de werkelijkheid. Al was deze werkelijkheid niet overal tegelijkertijd aan de hand (Athene is een grote stad), in het centrum was het echt oorlog, tot en met vorige week vrijdag zo’n beetje. Op zaterdag ging een Atheense vriendin met haar dochter naar de stad om boodschappen te doen. Ze kwamen op Syntagma, het centrale plein van de stad. Hier vlogen de stoeptegels een dag eerder nog door de ruiten van de winkels. Nu, vertelt ze, zaten op ditzelfde plein allerlei toeristen op een terras in de zon, gezellig te praten en te lachen – korte mouwtjes, zonnebrillen: vakantie!

De vriendin vertelde het proestlachend. Dit is het soort lachen dat je doet als iets zo onbegrijpelijk is dat je of woedend wordt of de slappe lach krijgt.

Met korte mouwtjes!, herhaalde ze. „In de zon!”

Hun werkelijkheid en de hare hadden duidelijk niet veel met elkaar gemeen.

Wij staan maar te kijken naar het fries van de Akropolis, althans, naar wat ervan over is en daarvan dan weer het deel dat ze in Athene kunnen tentoonstellen in hun wonderbaarlijk prachtige museum – veel is in het British Museum. Geroofd door Lord Elgin, die misbruik maakte van de toenmalige omstandigheden, zegt de commentaarstem bij een filmpje dat de geschiedenis toont van het Parthenon.

Het is een schokkend filmpje. Je ziet steeds andere groeperingen het ooit zo mooie gebouw verwoesten – vroege christenen, Turken, Venetianen (die hadden een kruithuis in de tempel gevestigd dat op een kwade dag ontplofte) en uiteindelijk dus Lord Elgin. Dit zijn allemaal tijden en omstandigheden waarover je al kijkend koelbloedig oordelen velt – „fout! fout!” – zonder verder iets te weten van die tijden.

Je weet eigenlijk nooit erg veel. Onze blik is maar heel beperkt. De Grieken die begonnen met het bouwen van tempels op de Akropolis riepen de hulp in van de muzen om zich te informeren over wat er zoal gebeurde in de wereld. Wij hebben kranten, televisie en internet en weten dus van alles, maar op een bepaalde manier weet je eigenlijk niets.

We vertellen verhalen waarin allerlei feiten worden gerangschikt – meer dan één verhaal. Ze overlappen elkaar, maar nooit helemaal. Ergens in het web dat is gevormd door deze verhalen wordt ook de waarheid opgevangen, niet als een klein helder steentje, een goudklompje uit het gruis van de rivier, maar verweven met alles wat we ontdekken, zeggen, weten, filmen en denken – onlosmakelijk.

In het boek waarvoor Julian Barnes onlangs de Booker Prize heeft gekregen, The Sense of an Ending, citeert hij een paar keer iemand die beweert dat geschiedenis het verhaal is dat ontstaat op het punt waar onvolledige herinneringen en ontoereikende documentatie samenkomen. Herinneringen zijn altijd onvolledig en documentatie nooit toereikend. Dit zie je in het Akropolismuseum. Je ziet het zelfs al in de Europese crisis. Er wordt geschiedenis geschreven, nou en of, maar niet bepaald één geschiedenis.

Iedereen vertelt een verhaal en noemt dat zijn leven, zegt Barnes’ hoofdpersoon. We geloven in deze verhalen, totdat feiten of herinneringen ons nopen ons verhaal te herzien of totdat het gebrek aan feiten en herinneringen al onze verhalen smeedt tot een geheel.

Dan weet je hoe het was op de Akropolis in 480 voor Christus. Overal stonden beelden van meisjes met mooie vlechten.