Laatste zucht van de roemruchte metaalindustrie rond Luik

Het definitieve einde dreigt voor de metaalindustrie rond de Belgische stad Luik. De Indiase baas van ArcelorMittal wil de laatste twee hoogovens sluiten. Vakbonden verzetten zich fel. „De metaal is ons leven en onze geschiedenis”.

ArcelorMittal steel workers protest against job cuts during a march in Seraing, near Liege October 26, 2011. ArcelorMittal, the world's largest steelmaker, will permanently end liquid phase steel production at its site in Liege, Belgium, given over-capacity and a slow recovery in the European market. REUTERS/Eric Vidal (BELGIUM - Tags: CIVIL UNREST BUSINESS INDUSTRIAL EMPLOYMENT) REUTERS

De metaalarbeiders van Luik hebben een Britse held van brons en een onzichtbare vijand uit India. John Cockerill uit Lancashire maakte in de negentiende eeuw van Wallonië een van de rijkste gebieden ter wereld door er hoogovens en metaalfabrieken neer te zetten. Van die welvaart is al heel lang weinig meer over, maar Luikenaren zelf zeggen nog graag dat staal de wervelkolom is van hun regio. En blijft dáár nog wel iets van over nu de Indiër Lakshmi Mittal, een van de rijkste mannen ter wereld en eigenaar van ArcelorMittal, heeft besloten dat de laatste twee hoogovens bij Luik definitief dichtgaan?

Duizenden metaalwerknemers uit Wallonië, Vlaanderen, Frankrijk en Duitsland betoogden afgelopen week tegen die sluiting. Op het Gemeenteplein van Seraing, een voorstad van Luik waar een van de twee hoogovens staat, hoorden ze hun vakbondsbestuurders zeggen dat Lakshmi Mittal „geen hart” heeft en een bedrijf leidt dat „de pest én de cholera” is. Het standbeeld van John Cockerill, op hetzelfde plein, had een vlag in zijn arm van de socialistische vakbond FGTB. Aan de andere arm hing een ballon van de christelijke vakbond CSC. Op spandoeken stond: Wij zijn allemaal kinderen van Cockerill. En ook: Cockerill is van ons. Want Luikenaren hebben het nooit over ArcelorMittal, voor hen heet het bedrijf nog steeds ‘Cockerill’.

Door de sluiting van de hoogovens, en een gieterij, verliezen bijna zeshonderd metaalarbeiders hun baan. Volgens de vakbonden zullen ook zo’n vijftienhonderd banen verloren gaan bij toeleveranciers en onderaannemers. En ze voorspellen een veel groter drama. Nu gaat alleen de zogenoemde ‘warme lijn’ van de staalfabriek dicht. De ‘koude lijn’, waarin de metalen platen worden verwerkt tot producten, blijft volgens ArcelorMittal open. Maar de vakbonden denken dat dat niet lang duurt. Vorige week viel de ‘koude lijn’ al stil omdat er te weinig platen werden aangevoerd uit Noord-Frankrijk. „Als heel ArcelorMittal in Luik dichtgaat, raken nog eens drieduizend werknemers hun baan kwijt”, zegt Fabrice Jacquemart, directeur politiek van FGTB-metaal. „En indirect tienduizend mensen. Voor de regio Luik, met zo’n vierhonderdduizend inwoners en een werkloosheid van meer dan 20 procent, is dat een catastrofe.”

De betoging op het Gemeenteplein van Seraing is bedoeld om de bevolking te mobiliseren. Zo stond het in een aankondiging van de FGTB. Maar er zijn vooral vakbondsactivisten. Ze zingen de internationale, steken vuurwerk af, ze verbranden ‘ArcelorMittal’ in een lijkkist. Aan de zijkant van het plein staat Yvette Vanoppen (65). Tot haar pensioen werkte ze bij de provincie Luik op de afdeling ‘werkgelegenheid’. „De metaalindustrie”, zegt ze, „raakt aan de wortels van bijna elke familie in deze regio. Iedereen heeft in zijn familie wel iemand die financieel afhankelijk is van de metaal. Er is ook een hele laag van de bevolking die je moeilijk omgeschoold of weer aan het werk krijgt als die industrie ten onder gaat.”

De grootvader van Yvette Vanoppen kwam aan het eind van de negentiende eeuw uit de Vlaamse stad Diest naar Seraing om in de fabrieken van Cockerill te werken, net als heel veel andere Vlamingen. Wallonië exporteerde machines, boten, spoorrails, locomotieven. Vlaanderen was arm. Ook haar vader werkte bij Cockerill. „Hij verdiende heel goed”, zegt Yvette Vanoppen. „Daardoor kon ik in Luik economie studeren.” Haar vader was trots. „Maar hij was ook streng. Ik moest alles in één keer halen, anders moest ik van de universiteit af. Dus haalde ik alles. Maar zodra ik de kans kreeg, ben ik naar Congo gegaan als lerares.”

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen veel Italianen naar Wallonië. Op het Gemeenteplein van Seraing vertelt Luigi Zanussi (63) dat zijn vader vóór de oorlog op een binnenvaartschip werkte, in de buurt van Venetië. „Een zeilboot. Als er geen wind was, trok hij de boot vooruit.” In de oorlog werkte Luigi Zanussi’s vader voor Mussolini. „Zo ging dat toen.” Eind jaren veertig kwam hij naar België om in de mijnen te werken. „Maar hij had geluk, hij kreeg een baan bij Cockerill. Hij haalde zijn acht kinderen naar Seraing.”

Luigi was de jongste. Vanaf 1969 werkte hij ook bij Cockerill. Hij controleerde auto-onderdelen aan de lopende band. „Het was goed en dankbaar werk. Het was belangrijk dat alles goed nagekeken werd.”

In de Luikse metaalindustrie werkten in die tijd zo’n 40.000 mensen. „Maar al in de jaren zestig begon het mis te gaan”, zegt de Vlaamse auteur Guido Fonteyn die in 2004 ‘Afscheid van Magritte’ schreef – over de opkomst en het verval van Wallonië. De mijnen sloten, de zware industrie begon te verdwijnen. In de jaren tachtig gingen er in de metaal tienduizenden banen verloren.

Cockerill werd overgenomen door een Frans bedrijf, fuseerde met andere Europese ondernemingen en heette vanaf 2002 Arcelor. Arcelor kondigde in 2003 ook de sluiting aan van de hoogovens in Seraing en Ougrée. Ook toen was er fel verzet tegen. In de reorganisatie van dat jaar ging Luigi Zanussi met vervroegd pensioen.

Lakshi Mittal, die Arcelor overnam en er ‘ArcelorMittal’ van maakte, beloofde daarna toch weer om de hoogovens open te houden en erin te investeren. Hij eiste wel dat er harder werd gewerkt, met minder mensen. De Waalse overheid deed van alles om het Mittal naar de zin te maken en de banen te behouden: Wallonië gaf het bedrijf CO2-uitstootrechten, ArcelorMittal betaalde ook nauwelijks belasting. Maar het hielp allemaal niet.

Dat de hoogovens van Ougrée en Seraing nu toch dichtgaan, zou voor Luik moeten voelen als „een bevrijding”, zegt Guido Fonteyn. „Het is het einde van een moeizaam en aflopend proces. Luik zou naar de toekomst moeten kijken en zich identificeren met alles wat wél goed gaat: de universiteit, het nieuwe vliegveld, de binnenscheepvaart.”

Zal dat genoeg zijn voor Luik? „Het wordt nooit meer zoals vroeger”, zegt Fonteyn. „Maar de delfstoffen zijn weg, de grote industrie is vertrokken. De tijd van de metaal is voorbij.”

In zijn kantoor in Luik zegt vakbondsbestuurder Jacqemart dat het vliegveld natuurlijk prachtig is. „Met jullie TNT als grote klant.” Luik, vindt hij, heeft ook andere mooie mogelijkheden. Maar niet genoeg om tienduizend mensen een nieuwe toekomst te geven als de metaalindustrie verdwijnt. „Je maakt van metaalarbeiders ook niet zomaar een ander soort arbeider. Het zal nodig zijn om iemand te vinden die de Luikse metaal wil overnemen.”

De vakbonden willen eerst dat de Waalse en de federale overheid van België met geld komen om de metaalindustrie in Luik weer goed op gang te helpen: er is te lang niet meer geïnvesteerd. „Als je in één weekend vier miljard vindt voor Dexia, dan moet één miljard voor de metaal toch te doen zijn?”

De vakbonden zijn vast van plan om de politici te laten zien dat de bevolking de metaalarbeiders steunt – door steeds weer betogingen te houden. „Er is veel woede”, zegt Jacquemart. „Iedereen denkt dat de Belgische directie van ArcelorMittal niets te zeggen heeft. Mittal geeft opdrachten per videoconferentie. Hij is geen gesprekspartner, je praat tegen een muur.”

Het is niet zeker dat de Europese Commissie overheidssteun voor de Luikse metaal zou goedkeuren. Het is wel bijna zeker dat ArcelorMittal zelf zo’n overname niet wil: het bedrijf zou er meteen een concurrent bij hebben. „Maar als je zegt dat je hoogovens sluit omdat ze niet winstgevend zijn”, zegt Jacquemart. „Waarom zou je dan denken dat iemand anders die winstgevend kan maken?”

Het hele metaalbedrijf in Luik zou dan overgenomen moeten worden, niet alleen de hoogovens. Maar waarom zou ArcelorMittal die vestiging verkopen? „Heel simpel”, zegt Jacquemart. „Het bedrijf zal een serie boetes krijgen, bijvoorbeeld omdat ze investeringsbeloftes niet zijn nagekomen. Dat wordt zeker zo’n drie- tot vierhonderd miljoen euro. De grond moet ook worden schoongemaakt. Er is berekend dat dat ongeveer een miljard euro kost.”

Dan moet ook nog de hele procedure worden afgewerkt die in België verplicht is bij massaontslagen: met informatie- en consultatierondes. Jacquemart: „Het record is dat zo’n procedure 19 maanden duurde, maar wij denken dat we het kunnen rekken tot twee jaar. Al die tijd kan Mittal niets doen met zijn fabriek en hij moet zijn deel blijven betalen voor de werkloosheidsuitkeringen. Het kan tot gevolg hebben dat Mittal zegt: Ik ben het beu, ik verkoop de boel.”

Maar dan: aan wie? „We zullen overal moeten zoeken. In Europa, maar ook in China. Of in Rusland.”

John Cockerill was er in 1840 ook naartoe gegaan. Langs de oever van de Maas had hij hoogovens laten bouwen, walserijen, smederijen, een staalgieterij, werkplaatsen. Maar hij raakte in financiële problemen en in Rusland probeerde hij opdrachten binnen te halen. Op de terugweg werd hij ziek. Hij stierf, vijftig jaar oud – waarschijnlijk aan tyfus. Er was ook het gerucht dat hij zelfmoord pleegde.

In het Museum voor de Metaalindustrie in Luik is er een ‘Salle John Cockerill’. Zijn horloge ligt er, zijn pen, maar ook zijn dodenmasker en een afgietsel van zijn handen. In een andere zaal hangen foto’s van betogingen na sluitingen van hoogovens in de jaren zeventig. „Dat was het begin van een lange serie van sluitingen”, staat erbij, „die de arbeiders en de bevolking zeer bedroefd maken.”

De fotograaf die de beelden maakte, Armando Frassi, is er ook weer bij op het Gemeenteplein van Seraing. „Luikse metaalarbeiders vinden dat Cockerill een menselijke ondernemer was”, zegt hij. „Hij zat in nood, maar wilde niet dat zijn bedrijf een naamloze vennootschap werd.”

Als de betoging voorbij is, staat bij het beeld van Cockerill nog één man die wordt geïnterviewd door de Franstalige publieke omroep: Pierre Lognard. Hij is vijftig, werkte negenentwintig jaar in de hoogoven van Ougrée en verliest nu zijn baan. Voor de televisie balt hij een vuist en zegt dat alle Europese arbeiders zich moeten verenigen tegen het kapitalisme. Na zijn televisieoptreden zegt hij dat l’argent voor hem de grootste schuldige is. „Geld maakt alles kapot.” En: „Ik bedoel het niet racistisch, maar het is onmogelijk om als bedrijf te overleven met aan het hoofd een Indiër zonder gevoel. Wij zijn voor hem een instrument. Maar de metaal is ons leven, de metaal is onze geschiedenis.”