Iederéén heeft moeite met het CDA van nu

NRC vroeg CDA’ers naar hun mening over de partij.

Conclusie: er is geen leider. En over de vraag wie die rol op zich zou moeten nemen, zijn de meningen verdeeld.

De harde kern van het CDA weet in ieder geval een paar dingen zeker.

De partij is niet oubollig. Of autoritair. Niet gefossiliseerd. Saai. Voor ouderen. Voor witte mannen. Asociaal. Een grote religieuze bende van watjes. Een partij van spruitjeslucht.

Dat dus allemaal niet.

Maar verder ziet het partijkader ook even niet meer hoe het verder moet. Gaat het goed met het CDA? Wordt er genoeg gedaan om de partij te vernieuwen? Wilt u de leiders van nu straks nog terugzien?

Nee, nee, nee, zegt nu ook het partijkader. Deze krant vroeg samen met onderzoeksbureau OverheidInNederland.nl, met het oog op het partijcongres van morgen, 2.090 politiek actieve CDA’ers naar hun mening over de partij (er zijn er circa 2.500, niet alle mailadressen zijn bekend). Van gemeenteraadsleden tot gedeputeerden in de provincie, van Eerste en Tweede Kamerleden tot dijkgraven en burgemeesters. Van Cromstrijen tot Dalfsen tot Asten.

Ze kregen de garantie dat ze anoniem hun mening mochten geven. Bijna 750 CDA’ers reageerden. Tweederde is al meer dan tien jaar lid, bijna iedereen noemt zichzelf gelovig, ze stonden bovengemiddeld achter dit kabinet: dit zijn échte CDA’ers. Het aantal respondenten is ruim voldoende voor een statistisch betrouwbaar beeld – met uitkomsten die ook nieuw zijn voor de partij zelf.

Het pijnlijkst voor de decennialang zo machtige politieke organisatie is dat nu voor het eerst blijkt dat niet alleen de weggelopen kiezers en de gefrustreerde leden moeite met het CDA van tegenwoordig hebben. Ook de CDA’ers die voor of namens de partij werk hebben, zien geen richting meer. Verdeeldheid alom – en dat is gevaarlijk voor een regeringspartij waarvan juist stabiliteit wordt verwacht.

Het meest zichtbaar wordt dat in de leiderschapskwestie. Want wie is hier eigenlijk de baas? Naar wie luisteren we als het moeilijk wordt – zoals gisteren, in de kwestie-Mauro? De helft van de respondenten zegt: we hebben niemand. Er is geen leider. En ja, 86 procent van hen noemt dit een „probleem”.

Daarmee gaan ze in tegen de officiële partijlijn. De vicepremier, de partijvoorzitter en de fractievoorzitter in de Tweede Kamer stellen namelijk al sinds het aftreden van premier Balkenende dat het leiderschapsvacuüm juist de bedoeling is. Wij nemen gedrieën de zaken even waar. En een leider staat vanzelf op.

De andere helft van de partij wijst verschillende kanten op. Een deel vindt dat voorzitter Ruth Peetoom de leider is, een iets groter aantal noemt fractievoorzitter Sybrand van Haersma Buma en nog een paar procent meer komt uit op vicepremier Maxime Verhagen. Dat is pijnlijk. Voor de partij, maar vooral voor hemzelf, want het CDA is eraan gewend dat de leider premier of vicepremier is. Nog geen kwart van de mensen die dagelijks in Den Haag, in de provincies en in het land zijn kabinet moeten verdedigen, beschouwt Verhagen als de baas.

Sterker nog: slechts een verwaarloosbaar aantal CDA’ers ziet in hem de persoon voor op de volgende verkiezingsposters, voor het uitdelen van flyers, ballonnen en knuffels op de braderie, voor bij de debatten op tv. „Wie moet de nieuwe partijleider worden?” Een schamele 3 procent vinkte zijn naam aan.

Dat is evenveel als Wim van de Donk, de commissaris van de koningin in Noord-Brabant. En dat is minder dan bijvoorbeeld Verhagens eigen staatssecretaris Henk Bleker, partijvoorzitter Ruth Peetoom of Mirjam Sterk, de nummer twee van de Kamerfractie. Regionaal zijn er grote verschillen. Van de Donk wordt in vijf provincies niet genoemd, maar krijgt in zijn eigen regio 14 procent. Henk Bleker krijgt steun in het noorden, in Limburg niet.

Wie moeten het dan wel gaan doen? De enige twee CDA’ers die op enige reële steun kunnen rekenen zijn tegelijkertijd ook precies die twee die zich hebben afgemeld voor het leiderschap: Camiel Eurlings en Jan Kees de Jager. Eurlings heeft inmiddels een bestuursfunctie bij KLM, De Jager zei het druk genoeg te hebben: „Ik heb die ambitie niet”, zei hij eerder. „In het ministerschap vind ik voldoende diepgang.” Daarna zegt hij de politiek uit te gaan.

Hij is als minister van Financiën verreweg de populairste van het zogeheten CDA-smaldeel in het kabinet. Driekwart van de politiek actieve CDA’ers vindt De Jager de beste minister. Hij heeft dan ook de juiste functie op het juiste moment: hij laat zich niet uit over partijkwesties – te druk, geen tijd, de euro redden – en hij is zichtbaar. Erg zichtbaar.

En dat willen CDA’ers graag. Ze willen besturen – ‘verantwoordelijkheid nemen’ – en ze willen dat dat gezien wordt. Dat is dan ook de hoofdreden waarom maar 39 procent tevreden is over de huidige Kamerfractie. Nergens is dit gevoel sterker dan in Zeeland: nog geen vijfde zegt hier tevreden te zijn. Dit is de provincie waar Ad Koppejan vandaan komt, het Kamerlid dat meestal meestemt met de fractie, maar zich kritisch opstelde tegen het voornemen van partijgenoot en minister Leers om Mauro uit te zetten.

Het belang van zichtbaarheid is een reden waarom de CDA’ers die op deze enquête reageerden vorig jaar bovengemiddeld vaak vóór samenwerking met de PVV stemden: 74 procent, hoger dan de 68 procent van tijdens de formatie. De meestgenoemde reden was dat het CDA, jawel, „regeringsverantwoordelijkheid” moest nemen.

Inmiddels is ook dat enthousiasme bekoeld. Als de CDA’ers „toen hadden geweten wat ze nu weten” over dit kabinet, had 64 procent voorgestemd. Geen spectaculaire daling, misschien, maar het idee bleek voor sommigen dus wel mooier dan hoe het uitpakt. De opvallendste provincie is daarin wel Friesland, daar staan voorstanders van het kabinet recht tegenover tegenstanders. Het is 51 om 49 procent.

Verdeeld, verdeeld, verdeeld. Over Mauro. Over wie de partij moet voordragen voor de Raad van State, over de mate van vernieuwingen die voorzitter Peetoom heeft doorgevoerd. Toen zij een half jaar geleden werd gekozen was er confetti en waren er slingers. Vraag nu aan de CDA’ers die de partij elke dag weer vertegenwoordigen wat ze te horen krijgen op verjaardagsfeestjes en 57 procent van hen „moet de partij verdedigen”. Hoe het verder moet, weten ze niet. Een opgewekt gezelschap is anders.