Het raadsel der verstaanbaarheid

Een moderne schrijver moet niet alleen zijn boek verzinnen, hij moet ook zichzelf verzinnen. Vandaar dat acteurs het zo goed doen in de letteren. Het publiek heeft altijd gelijk, zegt de marketingman. P.F. Thomése zegt dat het altijd ongelijk heeft.

et raadsel der verstaanbaarheid, om maar meteen met de deur in huis te vallen, is het raadsel dat een schrijver iets beweert en dat – hier, voor mijn neus, of desnoods duizenden kilometers verderop, jaren later – een lezer het begrijpt.

Maar wát begrijpt die lezer?

Ik heb het nooit vertrouwd, het vermeende doch veel bejubelde contact tussen auteur en lezer. Er moet bedrog in het spel zijn, en op zijn minst misverstand.

We schijnen in het informatietijdperk te leven. Dat is zo’n woord dat je opraapt. Iedereen laat het maar vallen, dus is het vanzelf waar geworden.

Nooit eerder in de geschiedenis werd er zo druk aan overdracht gedaan. Het gekke is, dat je als vanzelf reclametermen blijkt te gebruiken. We leven in een global village, in een 24-uurs-maatschappij. Het is een wereld die je zelf nooit zou verzinnen. Het is dan ook niet je eigen droom, maar die van de marketingafdeling die ons graag ziet als voorbeeldige consumenten die op ieder moment van de dag bereid zijn tot een transactie.

Geld is het universele communicatiemiddel. Verstaanbaarheid is in die zin op te vatten als een vorm van betaalbaarheid.

Kwaliteit wordt in de moderne maatschappij al sinds de 19de eeuw uitgedrukt in kwantiteit. Je moet het kunnen tellen. Het moet nauwkeurig uitgerekend kunnen worden.

Theodor W. Adorno ijkt in zijn Negative Dialektik het Tauschprinzip, het ruilbeginsel. Door de kwantificering van de kwaliteit ontstaat er een onderlinge gelijkheid waartegen elke kritiek futiel wordt. Maar misschien kan ik beter verwijzen naar zijn geestverwant, de voetbaldenker René van der Gijp, die ooit opmerkte: „Als vijftigduizend man in een stadion keihard ‘Je wijf die is een kankerhoer’ roepen, dan denk ik bij mijn eigen dat er ergens toch wel een kern van waarheid in zal zitten.”

Een lezer, daarentegen, is altijd alleen, afgezonderd van de kudde. Maar in zijn eentje telt hij niet mee. Dat is de paradox. Een lezer bestaat pas wanneer zijn unieke, afgezonderde universum wordt genegeerd.

Marktwerking, heet zoiets. Een boek lees je gewoonlijk alleen, maar op de markt treden de lezers plotseling uitsluitend in meervoud op. Pas als je lezers kunt tellen, tellen ze mee. Hun getal is hun kwaliteit.

Een van de marktprincipes is maximale toegankelijkheid. In de optimale markt zijn we allemaal gelijk en kunnen wij ons onbelemmerd met elkaar verstaan. Dissidenten zijn niet gewenst. Zij belemmeren het Tauschprinzip, dat streeft naar een maximale gelijkheid.

In de Tausch, de uitwisseling, de ruil, neigen we ertoe identisch te worden. En zo vermenigvuldigen wij onszelf als steeds hetzelfde.

Van een cultuur van ontkenning – kritiek – naar een cultuur van bevestiging – kritiekloosheid.

Als je zeker wilt zijn dat iemand je verstaat, moet je hem vertellen wat hij al weet, moet je hem bevestigen in zijn kennis en ervaring van de wereld. Anders weet hij niet waar je het over hebt. Je moet identiek worden om elkaar te kunnen begrijpen.

Anti-nieuwsgierigheid is de ziel van het reclamevak.

‘Die Propaganda hat sich auf wenig zu beschränken und dieses ewig zu wiederholen.’ Zo luidt in Mein Kampf de doctrine van Adolf Hitler – om deze invloedrijke Duitse praktijkdenker nog maar eens aan te halen. Massacommunicatie is massa-indoctrinatie. Het is communicatie waarbij het antwoord van tevoren vaststaat.

De leidende taal is reclametaal geworden. Bevestiging is zelfbevestiging. Belangstelling is spiegeling. We zijn uit elkaar gevallen en zoeken op de markt naar stukjes van onszelf. Stukje bij beetje schaffen we onszelf aan. Dat zeepje, dat is typisch mijn zeep. Het zegt iets over wie ik ben. Die auto, ja, daar ben ik de man voor. Dat boek, ik weet niet hoe die schrijver dat gedaan heeft, maar het is precies mijn leven. We vallen steeds uit elkaar en de reclame maakt van ons telkens weer een passend geheel.

Dat geheel is nooit een vraag. Het is het antwoord dat op je ligt te wachten. Jij bent het probleem, het product is de oplossing. Jij staat te aarzelen voor de etalage, het product ligt te popelen om je duidelijkheid te verschaffen.

Iedere schrijver kent het onmogelijke en onzinnige moment dat hij zijn uitgever moet uitleggen waar zijn boek over gaat. De marketingafdeling heeft die informatie nodig voor de prospectus die naar de boekhandel zal worden gezonden. Het gaat hierbij uitdrukkelijk niet om de tekst van het boek zelf, belangrijk is alleen wat er over gezegd kan worden.

Marketing is, grof gezegd, het verhaal om het product heen. Je betaalt voor de verpakking.

Voor de schrijver betekent dit het volgende: hij moet niet alleen zijn boek verzinnen, hij moet vervolgens ook zichzelf verzinnen. Van de auteur van een boek moet hij worden getransformeerd in een schrijver met een verhaal.

Nu is mythevorming onlosmakelijk met het schrijverschap verbonden. Van Homerus tot Kafka, van Shakespeare tot Joyce, van Melville tot Proust, van Rabelais tot Rimbaud hangt er een ‘verhaal’ rondom hun werk.

Het kenmerk van een mythe is dat zij gesponnen is uit zeer diverse draden. Het weerspiegelt de angsten en de verlangens en de dromen van vele mensen en vele generaties. Het is een verhaal dat is overgeleverd: het is doorgegeven en onderweg verfraaid, als een Perzisch nomadenkleed waar jaren en jaren door vele handen aan is geknoopt totdat niemand meer de precieze betekenissen ervan kent.

Hoe anders werkt het in de marketing.

Hier wordt de mythe kunstmatig opgewekt. De marketing laat zich leiden door wat het publiek wil horen. Het is geen reactie achteraf, geen commentaar op een ervaring, maar een reactie vooraf. Er is reeds geoordeeld, op grond van in het verleden behaalde bedrijfsresultaten. Een marketingconcept is altijd een herhaling, zoals alles in het reclamevak een Wiederholung van Dasselbe is.

Een nieuwe auteur in het boekenvak is dan ook altijd een nieuwe oude auteur. Een nieuwe Reve, een nieuwe Hermans, een nieuwe Jan Cremer, een nieuwe Lucebert: hoe vaak hebben we ze al niet voorbij zien komen. En ook de nieuwe Grunbergen zijn niet aan te slepen, terwijl Grunberg zelf ooit nog begonnen is als de nieuwe Reve, die later de nieuwe Hermans bleek te zijn.

Niet voor niets zijn er de laatste jaren zo veel acteurs succesvol in de boekenbranche. Niemand vertolkt een auteur beter dan iemand met een gedegen toneelopleiding. De hele brave middenmoot van onze vaderlandse letterkunde lijkt ermee vergeven. Ik denk aan theatergeschoolde publiekslievelingen als Japin, Launspach, Nasr of hoe ze ook mogen heten, en ook aan een multiculti-clown als het vergaderproduct Abdolah met zijn geraffineerde Iraanse straattoneel, maar het zijn er veel meer, tientallen moeten het er zijn, ik zie een stoet van dwergen langs mij gaan, om Nijhoff in diminutief te parafraseren.

Is dit erg? Hebben niet altijd clowns het toneel van de literatuur bevolkt? Zeker: Lucebert, Gerard Reve, Harry Mulisch: het waren clowns die als het nodig was het publiek wisten te lokken met een nummertje.

Toch bevalt mij deze historische parallel niet, allereerst omdat we er dan wel heel erg op achteruit zijn gegaan. Even niet gekeken en Lucebert bleek tot een Ramsey Nasrtje te zijn geslonken. En van Gerard Reve naar Arthur Japin, dat is misschien leuk als agendapunt voor het middelbaar interregionaal homocontactoverleg, maar literair gesproken slaat het natuurlijk nergens op. Je koopt ook geen drol in een taartjeswinkel. Sorry, Japin-lezeressen, dat ik geen cliché kan vinden dat beter bij jullie idool past.

Inmiddels zit zelfs de lulligste debutant thuis of op de uitgeverij ‘iets grappigs’ uit te broeden om de interesse van tv-redacties en winkeletaleurs te wekken. Elk jaar, wanneer onder auspiciën van de CPNB de nieuwe titels aan het volk worden gepresenteerd, zie je het er treuriger op worden. Auteurs verkleed in de kostuums van hun historische personages, drankjes uitdelend die in de roman zowat op elke bladzijde gedronken worden, aan wildvreemde voorbijgangers ongewenst en ongevraagd onthullend dat ze, om een bepaalde scène te kunnen schrijven, op autobiografische wijze met die of die Bekende Nederlander hebben geneukt. Wat!? Jazeker! Ook van achteren, ja. En ondertussen speelt een inderhaast ingehuurd strijkkwartet het overbekende thema van Schubert dat zo belangrijk schijnt te zijn in deze nieuwe, zichzelf wederom overtreffende magistrale roman zonder weerga.

Om ieder nieuw geproduceerd boek, pardon succesboek hangt daarom de geur van bedrog.

Maar, hoor ik de leeskringen al sputteren van Deemsteradeel tot Wapperderveen, kunnen we dan werkelijk nergens meer in geloven?

Ja, mevrouw, ik wil hier met alle plezier de natuurlijkheid van stijl en de authenticiteit van uitdrukking verdedigen, als ik maar wist hoe dat gaat zonder oneerlijke flauwekul te verkopen.

Authenticiteit – dat wat aan de vorm voorafgaat, zoals de ziel volgens sommigen aan het lichaam voorafgaat – is eerder een verlangen dan iets wat reëel bestaat. Het komt diep uit onszelf, het sluimert in ons als een haast religieus besef van oprechtheid, zuiverheid en waarheid.

Maar een dergelijke naïeve houding is juist zeer gewenst in de massale zwendel die massacommunicatie is.

Authenticiteit is immers vorm die niet als vorm wordt ervaren maar als inhoud. Als kern, wordt er ook vaak gezegd.

Het is deze ‘kern’ die in de massacommunicatie zo bruikbaar is en die wordt gevonden in de emoties, want niets werkt zo goed bij massavorming als emoties.

En aldus wordt in onze cultuur steeds veelvuldiger de overtuiging aangehangen dat onze ware gevoelens ons vrijwaren van bedrog.

Hier moet je op je hoede zijn. Als we in de literatuur ons besef van vorm en vormgeving vergeten en plotseling eerlijk worden, wordt het gevaarlijk. Dan is de flauwekul nooit ver weg.

Kortom, authentiek zijn gaat niet meer op de traditionele, romantische, artistieke manier. Die is vervalst, tot kitsch vervallen – die het als entertainment vanzelfsprekend hier en daar nog heel goed doet. Entertainment is bevestiging. Het volk wil bedrogen worden. Anders zou het het volk niet zijn.

Het publiek heeft altijd gelijk, zegt de marketingdeskundige. Het publiek heeft altijd ongelijk, zeg ik. Het denkt niet na, het praat na. Daarom heeft het altijd ongelijk, zelfs als het bij toeval een keer gelijk heeft.

De enige positie die de schrijver kan innemen, is de subversieve. Het enige wat hem te doen staat, is het ondermijnen van de gegeven orde, de in de massacommunicatie in eindeloze herhalingen uitgewisselde overeenstemming over de door zo veel mogelijk mensen gedeelde werkelijkheid, ook wel de actualiteit genaamd.

Wat onderscheidt hem, deze subversieve eenling? Is hij intelligenter dan onze geleerden, gevoeliger dan een meisje van zeventien? Zijn zijn zintuigen scherper dan die van een jager, een kok, een Thaise masseuse of een violist? Weet hij meer dan de erudietsten onder ons? Is zijn geheugen geoefender dan dat van een blindschaker, een oenoloog of een kunstverzamelaar? Nee, niets van dat al, vrees ik.

Het enige wat de schrijver kan, is schrijven. Daarin onderscheidt hij zich, en verder nergens in. Daarin toont hij zijn onaangepastheid, zijn verzet tegen de eeuwige herhaling van hetzelfde. Het enige wat hij te bieden heeft, is zijn vermogen om de dingen anders op te schrijven dan de meeste mensen het zouden doen.

Het subversieve karakter van zijn kunst zit hem dan ook in de vorm. Iets anders is er niet. Ja, er is volgens sommigen de inhoud, maar wat is dat precies? Vorm is wat alleen in die vorm geldig is. Het verandert in iets anders zodra je eraan gaat zitten sleutelen. Inhoud is datgene wat in dat proces onveranderlijk zou blijven, wat hetzelfde blijft als de vorm verandert. Inhoud is kennelijk iets wat ook buiten het kunstwerk om gewoon kan blijven bestaan. Rara, hoe kan dat? Het kan omdat dergelijke inhoud al voorgevormd is – en daardoor niet meer meteen als vorm herkenbaar. Het is cliché, conventie, afspraak, vooronderstelling, vooroordeel en het past precies op de achterflap van een roman.

Maar het gaat om iets anders, de onbenutte werkelijkheid. Bij alles wat er gebeurt is er zoveel dat niet gebeurt, dat deel blijft uitmaken van de angst, het verlangen, de twijfel, zoveel dat onofficieel blijft voortbestaan in de limbo van de mogelijkheden.

Het is de werkelijkheid die de actualiteit nooit haalt, omdat ze dubbelzinnig blijft, ambigu. De precisie van een schrijver is er altijd een waar men de vinger niet precies op kan leggen, bij alles wat men van het werk kan zeggen, ligt de ontkenning op de loer. Om het juist te typeren dient men zich tegen te spreken en te verstrikken in zijn eigen redeneringen. Hier wordt gezegd wat niet wordt gezegd. Wat je leest, ben je zelf. Het werk zelf onttrekt zich telkens aan de vaststelling, dat geeft zijn oneindigheid niet prijs.

Daarom mag de literatuur niet worden vastgelegd in codes en conventies, in canons en top-tienen. Daar heerst de dood, daar kan de geest niet ademen.

Er is een Kulturkampf gaande. Het is een strijd met als inzet de hegemonie over de taal.

De institutionalisering van de literatuur, die zich keurig volgens het Tauschprinzip voltrokken heeft, heeft de literatuur ongevaarlijk gemaakt als een reclame voor gezichtscrème of christen-democratie.

En ondertussen ligt de onbenutte werkelijkheid ongezien en onbeschreven op ons te wachten.

Pas wanneer het onmogelijk is, wordt het interessant.

Dit is een ingekorte versie van de Albert Verweylezing 2011 die gisteravond in de aula van de Universiteit van Leiden werd uitgesproken.