Fouten na de oorlog

Dat nooit meer, het proefschrift waarop Chris van der Heijden vandaag promoveert, is een duizelingwekkend overzicht van de verwerking van WO II in Nederland. Maar er staan veel halve waarheden in.

Chris van der Heijden: Dat nooit meer. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Contact, 928 blz. € 69,95

Toen Chris van der Heijden in 2001 Grijs verleden uitbracht, was de tijd rijp voor een nieuwe omgang met de Tweede Wereldoorlog. Het was het jaar van de opkomst van Pim Fortuyn, het jaar van de aanslagen in New York, het jaar dat de oorlog zijn vanzelfsprekende morele betekenis verloor in Nederland. Het ideaal van de multiculturele samenleving begon grote barsten te vertonen, en vele mensen hadden er meer dan genoeg van dat de discussie daarover altijd in het perspectief van de Tweede Wereldoorlog werd geplaatst.

Grijs verleden sloot helemaal aan bij deze ontwikkelingen. Van der Heijden ageerde in zijn boek tegen de moraalridders (veelal uit linkse hoek) die van de oorlog een Groot Verhaal hadden gemaakt waarin de Goeden het van de Slechten wonnen, een verhaal bovendien dat diende als het fundament van de democratie en de rechtsstaat. Dat had niets meer met de oorlog te maken zoals die in werkelijkheid was geweest, beweerde Van der Heijden. Een nuchtere blik op de bezettingsjaren liet een heel ander beeld zien: chaos, opportunisme en vooral toeval.

Daarbij had hij natuurlijk een punt: slechts enkele tienduizenden Nederlanders hadden daadwerkelijk in het verzet gezeten en het percentage van de bevolking dat zonder meer als ‘fout’ bestempeld kon worden was eveneens een kleine minderheid. Er was een groot grijs middengebied, van Nederlanders die er onder de Duitse bezetting het beste van probeerden te maken, die geen helden waren geweest maar ook weer geen gewetenloze schurken. De meeste mensen hadden simpelweg geprobeerd te overleven, en daarbij soms goede en soms slechte beslissingen genomen. Daar werd in Nederland achteraf soms veel te makkelijk en simplistisch over geoordeeld, vaak door mensen die de bezetting niet zelf hadden meegemaakt.

Maar wat op zichzelf een nuchtere bijstelling had kunnen zijn van de inderdaad vaak al te moralistische Nederlandse beeldvorming van de oorlog, voerde Van der Heijden in Grijs verleden zo ver door dat er terechte kritiek kwam op de ‘morele nivellering’ in zijn boek. Of je SS’er werd of in het verzet ging, het was volgens hem eigenlijk allemaal maar toeval. Daar kwam bij dat Van der Heijden selectief met zijn bronnen en zijn voorbeelden was omgegaan, een kritiekpunt dat in veel recensies ondergesneeuwd raakte door de morele bezwaren die – toch altijd weer – de boventoon voerden.

Nu, tien jaar na het omslagjaar 2001, komt Van der Heijden met de opvolger van Grijs verleden, een uitputtende studie van meer dan 900 bladzijden over de manier waarop Nederland met de Tweede Wereldoorlog is omgegaan, van 1945 tot nu. Feitelijk is dit het onderwerp waar het Van der Heijden in Grijs verleden ook al om te doen was: de manier waarop politici, journalisten, historici, schrijvers en filmmakers de herinnering aan de oorlog vormgaven om hun eigen morele en vaak ook politieke agenda kracht bij te zetten, een wirwar van belangen die uiteindelijk werd samengevat onder een overkoepelend motto: Dat nooit meer, de titel van het boek.

Het is een duizelingwekkend overzicht geworden van de talloze affaires en verhitte debatten die er vijfenzestig jaar lang over de oorlog gevoerd zijn in Nederland, en als je het allemaal zo leest kun je haast niet anders dan Van der Heijden gelijk geven: er is een groot verschil tussen de oorlog zoals mensen die in ’40-’45 hebben meegemaakt en de oorlog die vanaf de jaren zestig is geconstrueerd door een rebelse nieuwe generatie die geen oog had voor de daadwerkelijke dilemma’s waar de oorlogsgeneratie mee te kampen had. Dat verklaart ook waarom er tijdens de jaren vijftig niet zo’n eenduidig beeld van de oorlog bestond: men wist hoe chaotisch de bezettingsjaren waren geweest, hoe moeilijk het was om een helder overzicht te krijgen van hoe je juist moest handelen. Er ontstond daarom al snel weerstand tegen de hardliners uit het voormalige verzet

Vervolg op pagina 2

Feiten versus verdachtmakingen

en de teruggekeerde regering uit Londen. Na een jaar van zuiveringen was het wel weer genoeg geweest. Nederland moest vooruit kijken, wederopbouwen, niet lullen maar poetsen. En er was al helemaal geen ruimte voor het allerconfronterendste feit uit de oorlogsjaren, de deportatie en uitroeiing van de joden.

Dit is al lang het standaardbeeld van de jaren vijftig. Van der Heijden zegt wat dat betreft niets nieuws, maar wat hij eigenlijk wil bewijzen is iets heel anders: het overgrote deel van de Nederlandse bevolking was het heimelijk eens met de toegevende houding van het gros van de bestuurders en bedrijven tegenover de Duitsers: ‘de accomodateurs of aanpassers [werden] in toenemende mate gezien als degenen die het land veilig door de oorlog hadden geloodst.’

Dat is wel even wat anders dan kritiek op de te ver doorgetrokken zuivering, of een steeds mildere houding onder de Nederlanders over de vrijlating van oorlogsmisdadigers. Van der Heijden weet deze bewering dan ook nergens hard te maken, hij deelt het alleen telkens mee in zijn boek, telling, not showing, daarmee het motto overtredend waar hij zich als journalistiek ingesteld historicus aan wilde houden.

Wel komt Van der Heijden met een overweldigende hoeveelheid informatie over de pessimistische stemming in Nederland, de toestand van de economie, ophef over perszuiveringen, voormalige verzetsgroepen en oorlogsmisdadigers. Er zit allemaal niets nieuws bij, en het toont helemaal niets aan. Het blijft bij suggestie, en daar is Van der Heijden een meester in.

Zo voert hij advocaat en KVP-politicus Kortenhorst op als de stem der redelijkheid – en de vertolker van de ‘zwijgende meerderheid’ natuurlijk, maar dat is niet aan te tonen, want die zweeg. Kortenhorst betoogde al in 1945 in een brochure dat samenwerking met de Duitse bezetters juridisch gezien niet strafbaar was en zelfs had bijgedragen aan de stabiliteit van het land. Pas na tien bladzijden, als de lezer al een uiterst positief beeld van de man heeft gekregen, voegt Van der Heijden er tussen neus en lippen aan toe dat Kortenhorst ook de advocaat van oorlogsmisdadiger Pieter Menten en de gelijkgeschakelde De Telegraaf was.

En zo zijn er meer cruciale feiten die in Dat nooit meer worden weggemoffeld. De belangrijkste daarvan is de discussie over het Nederlandse optreden in Indonesië. Die is simpelweg afwezig in het boek, hoewel dit het eerste grote morele en politieke debat was waarbij volop naar de bezettingstijd verwezen werd: hoe kon Nederland zo vlak na de bevrijding nu zelf als bezettingsmacht opereren? Het past alleen niet in Van der Heijdens betoog. Dat moet immers bewijzen dat Nederlanders eind jaren veertig, begin jaren vijftig niet moreel dachten over de bezettingstijd.

Natuurlijk is elke historicus gedwongen om selectief te zijn. Je kunt nu eenmaal niet aan alles aandacht geven. Maar wat er in Dat nooit meer gebeurt, gaat verder dan dat: Van der Heijden manipuleert ook de bronnen die hij wél gebruikt, maar die kennelijk niet helemaal naar zijn zin waren. Van NSB-propagandist Max Blokzijl wekt hij de indruk dat die het Duitse antisemitisme eigenlijk verfoeide, en geen weet had van de moord op de joden. Eén van de bronnen die hij daarvoor gebruikt is een studie over Blokzijl van René Kok. Als je die erop naslaat, op de exacte bladzijden waarnaar Van der Heijden verwijst, lees je heel wat anders, zoals citaten uit Blokzijls radiotoespraken uit 1942: ‘Als straks de laatste joden den Nederlandschen bodem verlaten (…) zullen we hier en daar, tot onze groote verbazing maar ook eerlijke opluchting vaststellen, dat we deze gasten niet alleen voor onze samenleving niet noodig hebben gehad, maar dat de atmosfeer sedert hun vertrek er heel wat frisscher op geworden is.’

Van der Heijdens kunst van de suggestie is dat hij tussen de regels door ook meldt dat Blokzijl wel eens wat antisemitische uitspraken had gedaan – ‘een aantal keren (hoewel niet vaak)’ – maar vooral uitweidt over het dagboek dat Blokzijl schreef in 1946. Blokzijl was toen al ter dood veroordeeld en dus, zo vindt Van der Heijden, zijn alle beweringen daarin betrouwbaar, want de man had toch niets meer te verliezen. Daarnaast komt de zwakke bewijsvoering van de openbaar aanklager tijdens het proces-Blokzijl uitgebreid aan bod, een bron die Van der Heijden overigens ook manipuleert. Van de (inderdaad) weinig schokkende uitspraken waarmee de aanklager op de proppen kwam, selecteerde Van der Heijden juist niet de meest polariserende, en de enige antisemitische bovendien.

En zo gaat het maar door met suggestieve retoriek en halve waarheden in Dat nooit meer: karikaturen van verzetsschrijver J.B. Charles en Hannah Arendt, een wonderlijke passage over het dagboek van Anne Frank, dat volgens Van der Heijden succes kreeg omdat het de mogelijkheid bood de Shoah te negeren en er een universeel verhaal van te maken. Alsof de wetenschap dat Anne Frank omkwam in Bergen-Belsen niets te maken had met de ontroering van het publiek.

En dan zijn er nog de verdachtmakingen aan het adres van Loe de Jong, die met zijn standaardwerk over de bezettingstijd door Van der Heijden als hoofdverantwoordelijke wordt gezien voor het gechargeerde goed-fout denken over de oorlog. Nu had De Jong in zijn eerdere werk veel meer de neiging om te moraliseren dan in zijn magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden. Dat geeft eigenlijk een behoorlijk volledig en afgewogen beeld, iets waar sinds Grijs verleden steeds meer historici op hebben gewezen. En dat zit Van der Heijden dwars. Dertig pagina’s van Dat nooit meer zijn ingeruimd om te bewijzen dat De Jong in zijn belangrijkste werk helemaal niet genuanceerd is. Maar Van der Heijden komt niet veel verder dan wat minieme details, een insinuerende passage over De Jongs handige bespeling van de media en de suggestie dat De Jong tijdens de Aantjes- affaire handelde vanuit politieke motieven. Met deze laatste verdachtmaking opent Dat nooit meer zelfs, zonder er ook maar iets van hard te maken. Van der Heijden slaagt er niet eens in om de momenten waarop De Jong expliciet oordeelde in zijn werk te ontkrachten. Vandaar dat hij overgaat op formuleringen als ‘het gaat er hier niet om de vraag of De Jong ongelijk heeft…’

Er staan ook wel rustige, afgewogen hoofdstukken en passages in Dat nooit meer, er zijn invoelende passages over joodse en Indische kampervaringen bijvoorbeeld. Maar op verreweg de meeste van de 927 bladzijden probeert Van der Heijden gewoon té hard te bewijzen dat hij gelijk had met Grijs verleden. Het lukt hem niet.

Helemaal na het lezen van zijn polemiek met Loe de Jong kan de conclusie er maar één zijn: Van der Heijden meet De Jong aan criteria waar hij zelf bij lange na niet aan voldoet. Sterker nog, vergeleken met Grijs verleden en Dat nooit meer is Het Koninkrijk der Nederlanden een wonder van genuanceerde en verantwoorde geschiedschrijving. Vooral op één vlak steekt De Jong met kop en schouders boven Van der Heijden uit: áls hij oordeelde, deed hij dat expliciet en onomwonden.

Ewoud Kieft is historicus. Hij werkt aan een boek over W.F. Hermans en de Tweede Wereldoorlog.