En toen kwam Pink Floyd het seminarie binnen

Twan Geurts: Rolduc. De laatste dagen van een kleinseminarie. Balans, 274 blz. € 19,95.

‘Het is afgelopen, ik geef geen les meer. Die leerlingen zijn fundamenteel ongelovig en ik weiger nog langer les te geven aan fundamenteel ongelovigen.’

Stennis op het kleinseminarie Rolduc te Kerkrade, midden jaren zestig. Een leraar legde zijn godsdienstles voor gymnasiasten stil en klaagde zijn nood bij de rector. De docent, Jo Gijsen, raakte overspannen.

Bij het aanbreken van de paasvakantie van 1967 verliet hij het instituut voorgoed. Vijf jaar later kreeg hij alsnog zijn kans om de Limburgse priesteropleiding te zuiveren, toen hij tot ieders verrassing werd benoemd tot bisschop van Roermond.

Twan Geurts uit het Noord-Limburgse dorp Velden werd op 6 september 1962 door zijn ouders afgeleverd op zijn middelbare school in het zuidoosten van de provincie. Bijna een halve eeuw later heeft hij als journalist de geschiedenis van de roerige jaren die volgden te boek gesteld in Rolduc. De laatste dagen van een kleinseminarie.

Slim, braaf, gezond en godsdienstig, dat waren de eisen die het bisdom stelde aan nieuwe Rolduciens. In groten getale kwamen de jongetjes in de hoogtijdagen van het katholicisme naar Kerkrade. Een enkeling had een echte roeping. Anderen waren – zoals de auteur van het boek – simpelweg betoverd door de theatrale, roomse riten.

Het kon net zo goed de sturende hand van een priester zijn, die een grootse toekomst voor zijn misdienaar zag weggelegd. Voor gezinnen betekenden een priester in de dop aanzien, en Rolduc gaf kinderen een opleiding die normaal gesproken voor mensen van eenvoudige komaf niet was weggelegd.

Het rendement van het instituut hield niet over. In 1925 werd de helft van de kleinseminaristen gewijd tot priester, in 1950 een kwart en in 1960 nog maar een vijfde. De afvallers gingen echter niet verloren voor de katholieke zaak.

Integendeel, deze vaak eenvoudige jongens, die via Rolduc kennis hadden gemaakt met de grote wereld, hielpen in vooraanstaande, maatschappelijke functies mee om de roomse zuil overeind te houden.

Van de honderden jongens die in die tijd van Geurts begonnen aan hun kleinseminarie hielden er uiteindelijk drie vast aan hun roeping. Het Tweede Vaticaans Concilie en de geest van de jaren zestig maakten dat zo ongeveer alles ter discussie kwam te staan. Aan het einde van het decennium was Rolduc onherkenbaar veranderd: volop langharigen, hasjrokers, de klanken van Pink Floyd en Jefferson Airplane, meisjes in de schoolbanken, samenwonende priesters en het geloof verdrongen naar de marge.

Geurts laat scherp zien hoe het instituut Rolduc met een geschiedenis van bijna duizend jaar in een mum van tijd implodeerde. Het decennium begon met bijna middeleeuws internaat, inclusief het kennelijk onvermijdelijke seksueel misbruik (een geschiedenisleraar/biechtvader misbruikte een leerling zes jaar lang vrijwel iedere dag). Aan het eind van het decennium was dezelfde instelling een Limburgs baken van nieuwlichterij.

Het strikte gemeenschapsdenken bleek niet bestand tegen de individualisering. De meeste jonge docenten omhelsden de nieuwe tijd. Veel oudere leraren bogen mee. Een enkeling, zoals Gijsen, radicaliseerde. Maar zijn pleidooien voor fundamentalisme en zijn razzia van 1964 waarbij leerlingen met homoseksuele relaties verwijderd werden, hielden de omwenteling niet tegen.

Geurts sprak met medeleerlingen van toen en met een aantal oud-docenten. Merkwaardig genoeg heeft hij het weinig over zijn eigen ervaringen. Wat gebeurde er tijdens de Rolduc-jaren met dat door roomse riten betoverde jongetje uit Velden?

Zelfonderzoek en een beschrijving vanuit Geurts’ binnenste hadden dit boek boven het journalistiek-historische verslag uitgetild.