Een kwart eeuw van weggegooid geld

Dat ging hard: de aandelenkoersen in de eurozone stegen gisteren, in reactie op het akkoord van de Europese top over de euro, met 2,8 procent. Maar eigenlijk ging dat vooral over de banken. Daarvan stegen de aandelen met 6,6 procent. De rest van de beurs ging maar met 1,8 procent omhoog, mede geholpen door een meevallende economische groei van 2,5 procent in Amerika.

Vanmorgen kwam er nog een beetje bij, maar dat leek meer een geval van random walk.

Moeten we intussen blij zijn met de stijging van de aandelen van banken? Ja. Heel erg zelfs. Want de sector behoort tot de slechtst presterende van de afgelopen kwart eeuw. Datastreams bankenindex voor de eurozone, een van de meest betrouwbare en consistente maatstaven, stond vanmorgen op een waarde van 319 punten. Wie de lijn terugvolgt, zal zien dat de index een zelfde waarde had op 30 oktober 1995. Dat is zestien jaar geleden. maar het is erger. De eerste maal dat de index 319 punten aantikte was vlak vóór de jaarwisseling, eind december van het jaar 1985. Zesentwintig jaar geleden waren banken in de landen van de eurozone op de beurs even veel waard als nu.

Stel je eens voor: al die fusies, splitsingen, strategische plannen. Al die dikdoenerij van het investment banking, het wegkopen van peperdure teams van de concurrentie. Het belonen van personeel dat kennelijk beschikte over bovennatuurlijk talent met steeds grotere bonussen. De avontuurlijke exploraties naar de onbekende landen van de financiële derivaten, structured finance, of de financiering via Zuid-Korea van een autoweg in Pakistan.

Al deze maatregelen, ondernemingen en strategische plannen zijn voortdurend verdedigd met het ultieme argument van de bankbestuurder: shareholder’s value.

Welnu. Waar is die dan? Als aandelen van Europese banken in meer dan een kwart eeuw niet zijn opgeschoten, terwijl de nominale economie van de eurozone in die tijd met een factor 2,5 groeide, wat is het allemaal dan waard geweest?

Dividend? Is een beetje waar. Maar zelfs gecorrigeerd voor herbelegd dividend moeten we vijftien jaar terug om überhaupt een positief saldo te krijgen voor een belegging in banken in de eurozone. Dat is dus zonder tussenliggende inflatie, laat staan economische groei.

Andere tegenwerping: vrijwel alle aandelen zijn sinds de piek van 2007 gekelderd. Maar bankaandelen zijn nog maar een vijfde waard van toen. Alle andere aandelen twee derde. En bovendien: toen de hele beurs in de jaren negentig steeg, is er toen een bankier geweest die heeft gezegd: ik heb dit niet verdiend, want de stijging van mijn aandelenkoers is deel van een algemene trend?

Deprimerende conclusie: de enigen die iets hebben gehad aan alle capriolen in de banksector zijn bestuurders en het topkader van de werknemers van de banken zelf. Natuurlijk, er zijn verschillen binnen de branche, en grote ook. ING is nog altijd tweemaal zo veel waard als tijdens de fusie in 1990. Maar dat maakt nauwelijks de tussenliggende inflatie goed, en sinds 1997 is het concern überhaupt niets opgeschoten.

ABN Amro verloor begin 2008 zijn beursnotering op een door een overnamestrijd opgeblazen koersniveau, maar zou het waarschijnlijk sindsdien niets beter hebben gedaan dan de rest. En de Rabo onttrekt zich, als coöperatieve en niet genoteerde bank aan de waarneming. SNS Reaal is, aan de andere kant, sinds zijn beursnotering begin 2006 in zo’n negen tiende van zijn waarde kwijtgeraakt, tegen ING ‘slechts’ twee derde.

Maar het algemene beeld van de banksector blijft: een kwart eeuw ondernemen, en per saldo geen aandeelhouderswaarde gecreëerd. Triest. Al die inspanningen. Al dat talent, dat misschien ook wat nuttigers had kunnen doen.

Maarten Schinkel

    • Maarten Schinkel