Bij het afscheid

Onlangs schreef ik over onze nieuwe nationale afscheidsgroet „Fijne dag!”, die merkwaardige gewoonte om elkaar alsmaar een prettige voortzetting van de dag toe te wensen. We doen het zelfs als er net de vreselijkste dingen zijn gebeurd of getoond – denk maar aan onze nieuwslezers op de televisie.

Je bent zojuist door je baas ontslagen en hij roept je toe, terwijl je op de drempel staat: „Fijne dag nog!”

Of je vertelt iemand dat je huis vorige week in brand is gevlogen en dat vrouw, kinderen en katten daarbij deerlijk zijn omgekomen. Hij hoort met betraande ogen toe en fluistert bij het afscheid: „Fijne dag.” Het uitroepteken zal hij misschien weglaten, maar het komt zelfs niet bij hem op om te zeggen: „Toch nog een fijne dag.” Fijn is fijn, daar kan hij verder ook niks aan doen, dan had je al die ellende maar niet moeten vertellen.

We hebben meer van die opmerkelijke omgangsvormen, ingegeven door routine en de behoefte om het contact zo soepel mogelijk te laten verlopen. Zo hebben we, voordat we van elkaar afscheid nemen, vaak nog een soort opstapje nodig om dat afscheid te vergemakkelijken. Je kunt elkaar na een gesprek moeilijk een knikje geven en je vervolgens bruusk omdraaien om je weg te vervolgen.

Een geliefde afscheidsstrategie is de wederzijdse belofte van een voortzetting van het contact binnen afzienbare tijd. We vinden de groet „Tot ziens!” of „Tot gauw!” te onpersoonlijk en we maken ruimte voor iets wat op een belofte lijkt, maar het vaak niet is. We zeggen dan: „We moeten elkaar gauw weer eens zien.” Of, nog concreter: „Ik bel je gauw op om een afspraak te maken.”

Soms zijn die beloftes oprecht, soms niet. Op het moment dat je zo’n voornemen uitspreekt, kun je wel degelijk die warme drang naar hernieuwd contact voelen. God, wat lijkt je dat aardig – eindelijk eens royaal de tijd nemen om elkaar te vertellen wat je precies van het leven, en de mensen die daarbij horen, vindt. Als de winter voorbij is, moeten we dat zeker eens doen. Het is nu vroeg donker en de wegen kunnen zo glad zijn. Maar tijdens die winter raakt de belofte op de achtergrond en daarna zijn er nog zoveel andere dingen te doen.

Zo’n belofte kan ook een uitvlucht zijn, een mogelijkheid om op een nette manier van iemand af te komen. Een in de vorige eeuw naar Canada geëmigreerde Nederlandse vriendin gaf me daar een treffend voorbeeld van. Het was haar nogal eens overkomen dat iemand – vooral een vrouw – met wie ze onverwacht in gesprek was geraakt, bij het afscheid zei: „Oh, we must get together and talk!” Maar daar waren ze toch juist mee bezig? Jawel, stelde mijn vriendin vast, maar nu wilde ze dat je opdonderde.

Over die ‘Fijne dag!’ had ze trouwens ook nog wat op te merken. Ze had die groet in Nederland niet meer meegemaakt, maar in Canadese en Noord-Amerikaanse winkels hoorde ze meteen na aankomst wel het equivalent: „Have a nice day” of „Have a good day”. Ze vermoedt dat onze „Fijne dag!” daarvan afstamt. De laatste jaren is er een vertrouwelijker variant ontstaan: „Have a good one!” Deze wordt alleen gebruikt als er een band bestaat tussen winkeliers en klant.

Wat gaan wij verzinnen als we „Fijne dag!” te onpersoonlijk vinden? Nu schiet me te binnen dat je de laatste tijd al steeds vaker iets hoort dat op dat „Have a good one!” lijkt: „Geniet ervan!”

Ook zeer geschikt voor het afscheid in het ziekenhuis.