Wolfgang Rihm: ik componeer zomers of bedompt

De productiviteit van componist Wolfgang Rihm is ongeëvenaard. Zijn werk staat dit seizoen centraal in de ZaterdagMatinee.

Karlsruhe Hauptbahnhof. Ook een halve eeuw geleden had je componist Wolfgang Rihm (59) hier kunnen tegenkomen. Anders dan zijn muziek en zijn reputatie heeft Rihm zelf zijn geboorteplaats nooit achter zich gelaten. „Ik mis hier niks”, zegt hij. „Ik heb ook een huis in Berlijn, maar uiteindelijk doet het er niet toe. Inspiratie vind je niet in je omgeving. Die moet uit jezelf komen. Al kun je hier wel mooi langs de Rijn wandelen.” Zuid-Duitse herfstzon brandt op zijn visserspet. Daaronder scherpe bruine ogen, grijze wapperkrullen, een groot lichaam.

Rihm is geen man van makkelijke muziek of van makkelijke geschriften. Zijn Schrifte und Gespräche, door uitgeverij Schott uitgegeven in twee kloeke bundels, bevatten een schat aan humor, inzicht en oorspronkelijkheid, maar alleen voor wie bereid is zich door alinealange zinnen in doorwrocht Duits en een uitstervend universeel referentiekader heen te lezen. Moeiteloos stel je je voor hoe Rihm met zijn stadgenoot en vriend, filosoof Peter Sloterdijk, boven een stevige lunch van gedachten wisselt over de Europese cultuur.

„Wolfgang Rihm had ook schrijver of schilder kunnen zijn. Hij werd componist: hij uit zich in noten”, heet het in de officiële biografie van zijn uitgever. Hij knikt. „Ik heb wel eens geschilderd, hoor. Maar ik kan het niet. Ik ben componist.”

Rihm vindt zijn weg naar een Italiaans restaurant, waar de ober hem omarmt als een oude vriend. Kokkels komen er, pizzabrood, salade en sappige, bordvullende kalfskoteletten met citroen. Met tiramisu en espresso na, want anders heb je niet echt gegeten. Aan de overkant van de straat steekt een passant enthousiast zijn hand op. „Herr Rihm! Ik houd van uw muziek!”

Maar wees wijs, en vraag hem niet naar die muziek. „Altijd diezelfde vragen”, zucht hij dan – half wanhopig, half narrig. „Wat ik met muziek wil zeggen, zegt mijn muziek.”

Bermudadriehoek

Rihm wordt in maart zestig. Daar wordt internationaal veel aan gedaan. In Nederland loopt zijn muziek als rode draad door de programmering van de NTR ZaterdagMatinee, die in het Amsterdamse Concertgebouw dit seizoen zes concerten vult met zijn muziek en die van verwanten.

Waar overal de ondergang van de beschaving wordt afgekondigd, bewijst „een genie als Wolfgang Rihm dat de grote muziektraditie van het Avondland nog springlevend is”, meldt de brochure van de door bezuinigingen op de omroepensembles bedreigde Matinee.

Rihm lacht om de formulering. „Iemand die zestig wordt en navenant volgezogen is met wat Europa aan cultuur te bieden heeft, wordt snel een symboolfiguur. Begrijpelijk. En goedbedoeld. Maar met waar het echt om gaat, heeft dat natuurlijk allemaal niks te maken.”

Zijn muziek, bedoelt hij dan. „Ik representeer niks, en mijn muziek doet dat ook niet. Ik denk ook niet dat muziek er per se beter of interessanter van wordt als zij dat wel doet. Je moet kiezen: of je bent een scheppend componist, of je gaat op congressen zeggen wat je allemaal vindt van de wereld. Nederland heeft te maken met de opmars van Henk en Ingrid, hier in Duitsland houden ‘Dieter und Irma’ zich vooralsnog gedeisd. Ik kies ervoor mijn energie te besteden aan mijn werk. Daarin geef ik tekens over wat ik vind en denk – voor wie ze wil verstaan. Een publieke rol past ook niet bij me. Ik ga ook niet al mijn verjaardagsconcerten bijwonen. Koos ik daarvoor, dan werd ik een wuivende jubilaris zonder actuele betekenis. Een levend souvenir van mezelf.” Walgende grimas boven de tiramisu.

De realiteit is omgekeerd. Geen lege dagen gevuld met erepraatjes, maar een leven dat zonder pauze van de ene opdracht naar de volgende snelt. Tegen de vijfhonderd werken telt zijn oeuvrelijst op dit moment. Het geheim achter die onstuitbare productiviteit is zijn compositorisch uitgangspunt: dat zijn muzikale invallen vrijelijk mogen stromen in zijn ‘Bermudadriehoek’ – de werkruimte die loopt van bureau naar lessenaar naar vleugel. Een computer heeft hij niet. Communicatie gaat per fax, want dan kan hij nadenken over formuleringen. „Nu tref je me terwijl mijn gedachten wazig zijn. Ik heb zo ingespannen gewerkt aan een nieuw stuk dat praten voelt alsof er kauwgom aan mijn kaken zit. Gefaxte vragen hadden waarschijnlijk een veel beter antwoord gekregen.”

Seraphin

Zulke twijfel is in zekere zin ook de motor achter Rihms muziek. Zijn composities wellen uit elkaar op, elk stuk is een frisse poging te zeggen wat gezegd moet worden. Veel van Rihms stukken zijn onderdeel van een reeks. Zijn nieuwe symfonie Seraphin, vorige week de opening van de vermaarde Donaueschinger Musiktage, kent vele – onderling zeer verschillende – naamgenoten, als loten aan één muzikale stam.

Aan systemen heeft Rihms werk zich daarbij noodzakelijkerwijs steeds onttrokken. Rihm is Rihm; zijn muziek ontstaat terwijl die wordt geschreven. „Ik heb tijdens het componeren hooguit een vage notie van waar mijn horizon is, en of de lichtval daar fel zomers is, of juist donker en bedompt”, zegt hij. Toen het modernisme halverwege de jaren zeventig nog geordende structuren predikte, liet Rihm zes slagwerkers razend bulderen in Dis-Kontur.

Toen was hij dissident, nu is hij arrivé. Hij haalt zijn schouders op. „Ik ben altijd mijn eigen gang gegaan. Elke tijd schept zijn eigen verboden. Zeker, muziek is nu overal en iedereen kan alles beluisteren. Maar opent een brede blik op de wereld ook het innerlijke oor? De kwaliteit van muziek hangt niet af van het materiaal waarmee die kwaliteit wordt bereikt. Dat besef is wezenlijk.”

Theatraal, expressief – dat is Rihms muziek altijd. Hoekig ook, in de afwisseling tussen sferen. Gul in de orkestrale gestiek. Zijn oeuvre is in wezen veelvormig; dat dwingt zijn werkopvatting af. Elk stuk vertegenwoordigt een eigen klankwereld. De brede bespiegelingen van Quid est Deus (2007) laten zich lastig vergelijken met de verrassingskleuren en geweldsuitbarstinkjes in Jagden und Formen (1995-2001). En de elegische cantilenen in het vioolconcert Lichtes Spiel (2009) hebben weinig te maken met de dansante uitbundigheid van Tutuguri-cyclus (1980-1982).

Klassiek

Rihm woont in een negentiende-eeuws reuzenappartement met hoge plafonds en muren vol boeken, partituren, cd’s. Achter alles zit een verhaal. „Wat heb je daar? Ah, Oedipus tyrannus van Orff! Orff heeft een slechte naam, maar in die stukken heeft hij als het ware het hele orkest opnieuw uitgevonden. Kijk maar naar de bezetting. Vier piano’s, zes hobo’s, vier harpen, 32 man slagwerk. Opmerkelijk! Zijn reputatie kantelt nog wel eens, vermoed ik.”

Als hij zo over muziek praat, herken je Rihm de docent. Hij geeft compositieles aan het conservatorium, al jaren. Dat lijkt vreemd, getuige zijn stroefheid als spreker over compositorische processen. „Maar ik zeg ook niet veel tijdens lessen”, pareert hij. „Soms zwijg ik alleen, als een psychotherapeut. Bij de een duurt het lang, bij de ander kort. Maar uiteindelijk moet de muziek toch uit henzelf komen.” Wie studeerde bij Rihm, klinkt daardoor als zichzelf. „Nou... soms hoor ik wel muziek van leerlingen waarin mijn invloed zich doet gelden. Maar is dat erg? Schönberg reflecteerde op Bach. Dat maakt hem geen epigoon van Bach.”

Op Rihms tafel ligt zijn werk van vanochtend nog open. Nähe Fern (I, II, III en IV) heet het; het moet een korte cyclus worden waarin Rihm aansluit op de symfonieën van Brahms. De titel refereert aan Brahms conservatieve reputatie in zijn eigen tijd, legt hij uit. „Progressief dat waren in Brahms dagen de symfonieën van Rubinstein – nu totaal vergeten. Zo gaat het altijd. Willem de Kooning gold als ouderwets omdat hij figuratief schilderde; nu pas ziet men zijn kracht. In Mozarts tijd leefde er ook geen besef dat Mozart het genie was en zijn tijdgenoten niet. Stel je voor dat dat wel zo was! Lopen twee componisten over straat: ‘Hallo! Ik ben klassiek! Ben jij ook klassiek?’ Hij lacht hartelijk.

Maar toch, een beetje ‘klassiek’ ben je wel wanneer de ZaterdagMatinee een serie wijdt aan je oeuvre – met nieuw werk naast oud, dat hij uit principe nooit afwijst. „Nee zeg, bah, zo ben ik niet. Ik ben weliswaar niet meer wie ik twintig jaar geleden was, maar wat ik toen wilde zeggen met mijn muziek hoor ik nog steeds met belangstelling aan. Ik hoef me er niet voor te schamen. Er zit veel waarheid in.”

Zaterdag klinkt ook nieuw werk: de première van zijn cantate Der Maler träumt, op tekstfragmenten uit een visionaire speech van de schilder Max Beckmann uit 1938. Over Rihms muziek – nee, daar moesten we het maar niet over hebben. De tekst, díé trof hem. „Want die bergt in de kern een oproep tot kunstzinnige vrijheid. Daar gaat het om.”

Serie ‘Rihm Resonanz’ 29 okt. 14.15 Concertgebouw Amsterdam. Live op Radio 4.