Van danser tot dolfijnentrainer

Dansers laten zich al 25 jaar succesvol omscholen met behulp van de SOD. De een wordt advocaat, de ander verloskundige. Nu dreigen ook hier bezuinigingen.

Het is bekend: dansers hebben een korte carrière. Gemiddeld stoppen dansers op hun 33ste en moeten ze op zoek naar nieuwe inspiratie, naar een nieuwe loopbaan. Velen blijven dicht bij het fysieke van de dans en worden balletmeester of bewegingstherapeut, maar sommigen kiezen een beroep dat ver af staat van hun eerste liefde. Dankzij de Stichting Omscholingsregeling Dansers (SOD), die dit jaar 25 jaar bestaat, kunnen zij die omslag maken. Maandag wordt een en ander in de Stadsschouwburg Amsterdam gevierd.

Paul Bronkhorst (54) begeleidt al sinds het begin van de regeling in 1986 ‘dansers in de overgang’. „Een danser kan niet zonder omscholing. Heel mooi dat je je been hoog kunt optillen, maar werkgevers buiten de dans geven er niet zo veel om.” Als Mr. Omscholingfonds kent hij zijn pappenheimers. Hij wordt achterdochtig als iemand met heel specifieke ideeën komt. Is het wel echte overtuiging? Is er, bij heel radicale keuzes, geen sprake van overcompensatie, en overziet iemand de consequenties wel? „Een danseres is bijvoorbeeld fotografe geworden, best succesvol ook, en toch is ze ermee gestopt. Ze had zich, gewend aan het groepsgevoel in een gezelschap, niet gerealiseerd hoe eenzaam het fotografenbestaan was.”

Paul Bronkhorst kent uit zijn praktijk geen voorbeelden van dansers die hun eigen niveau niet goed hebben ingeschat. „Met de kwaliteiten die je als danser nodig hebt – discipline, ambitie, toewijding – bereiken zij vaak meer dan mensen met dezelfde aanleg.”

Bijna iedereen sluit de omscholing met een diploma af, 80 procent reïntegreert probleemloos, bij ‘normale’ reïntegratiebureaus is dat ongeveer 35 procent. Omgezwaaide dansers zijn in allerlei sectoren op allerlei niveaus te vinden.

Nuttige regeling, kortom, maar of die blijft bestaan? Door de bezuinigingen, die ook de dans zwaar treffen, zullen de inkomsten uit premiebetalingen van dansers en gezelschappen teruglopen, terwijl een toename van de aanvragen wordt verwacht. Leek de SOD vijf jaar geleden, na twintig jaar subsidieperikelen en arbeidsrechtelijke kwesties, eindelijk in rustig vaarwater gekomen, in 2013 kon het wel eens echt zwaar weer worden.

Rechter

Paul Waarts (Venlo, 1964) danste het grootste deel van zijn danscarrière bij Dansgroep Krisztina de Châtel. Op zijn 33ste is hij gestopt, uit overtuiging: „Ik stond te popelen om iets anders te doen.” Twee weken na zijn laatste voorstelling begon hij met zijn rechtenstudie, die hij in minder dan vier jaar afrondde. Strafrecht werd zijn specialisme en tien jaar lang pleitte hij in zeden-, drugs- en geweldszaken. De psychologie van het vak fascineert hem: hoe komen mensen zover en, zeker zo interessant, hoe gaat de overheid met hen om? In het beruchte liquidatieproces, een van de grootste zaken van de afgelopen jaren, stond hij Jesse R. bij, een van de hoofdverdachten. „Als strafrechtadvocaat kun je het niet mooier krijgen. Alsof je solist bij Het Nationale Ballet bent.” Even heeft hij dus wel geaarzeld met zijn volgende stap, maar sinds kort is hij rechter in opleiding. „Omdat je dan, anders dan een advocaat, meer dan één belang dient. En je kunt beslissingen nemen.” Of hij tot zijn zeventigste rechter blijft, durft hij niet te garanderen. „Ik vind het ontzettend leuk, weer zo’n switch. Het smaakt naar meer. Jammer dat het leven zo kort is.”

Manager

In juli stond Femke Feddema (Amsterdam, 1980) nog op de planken bij Introdans, sinds augustus is zij eerstejaars Communicatie Management aan de Hogeschool van Amsterdam. De eerste tentamens zijn op komst. „Best eng. In de dans wist ik wat ik kon, nu heb ik vakken als Recht en Economisch rekenen.” Tijdens haar elf jaar bij Introdans („een supercarrière”) hield zij altijd in haar achterhoofd dat zij op haar hoogtepunt wilde stoppen. Al een jaar keek zij met een schuin oog naar de pr-afdeling van het gezelschap: dat leek haar wel wat. De SOD vergoedt de studie, die Femke in de duale vorm, leren en werken, volgt. „Daar zijn de mensen wat ouder, dat vond ik belangrijk.” Een van de dingen die zij moet leren, merkt ze, is dat fouten maken mag. „In de dans kan dat niet. Op toneel moet alles goed gaan. Even aanpassen is ook dat ik geen directe resultaten zie: dans is allemaal praktijk, nu zit ik met mijn neus in de boeken en merk straks pas hoe goed het in mijn hoofd is terechtgekomen.”

Dolfijnentrainer

Bij Introdans had Lauro Marcenaro (Amsterdam, 1970) te vaak het treurige beeld gezien van dansers die echt niet meer verder konden. Daarom hakte hij, nog maar 29 en regelmatig geplaagd door rug- en knieblessures, de knoop door. Als fervent sportduiker zocht hij zijn heil bij de vissen. „Bij Dolfinarium Harderwijk kon ik, financieel gesteund door de SOD, als vrijwilliger bij de roggen en de haaien aan de slag. Noordzee-haaitjes. Ik wilde iets groters. In het opvangcentrum kon ik een zieke bruinvis verzorgen. Ik ben nooit meer weggegaan.” Weer kreeg hij een droombaan: hij werd dolfijnentrainer. Zijn dansachtergrond kwam goed van pas, andere typische dansersonhebbelijkheden minder. „Niet naar je lichaam luisteren. Bij pijn denken: die fysiotherapeut komt volgende week wel.” Tegenwoordig is hij hoofd van de bruinvisbaai, waar veel wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan. Over de spirituele ervaring die het zwemmen met dolfijnen wel heet te zijn, is hij sceptisch. „Ik denk niet dat ze spirituele krachten hebben, al kunnen ze leuk spelen met autistische kinderen. Het is hun vrolijke uitstraling die aanspreekt. Je kunt het ook met je hond hebben. Ik heb het nu met lama’s.”

Public relations

In 1986 was Jan Muylaert (Aalst, 1953) een van de eerste ‘klanten’ van de Stichting Omscholingsregeling Dansers. Muylaert, die eerder in Parijs en bij het Scapino Ballet werkte, had de buik vol van de conflicten bij zijn toenmalige werkgever, Werkcentrum Dans. Hoewel nog topfit, besloot hij te stoppen. De pr-opleiding van Stichting Reclame en Marketing trok hem aan. „Goed onderwijs, maar voor mij, met vrouw en kind, te duur.” De financiële steun van de SOD was een godsgeschenk. In het communicatievak merkte hij dat – net als in de dans – creativiteit, discipline en aanpassingsvermogen succesfactoren zijn. Bij toeval belandde hij in de grote infrastructurele projecten; zijn bedrijf bloeide. In 2003 verkocht hij het, om te vertrekken naar zijn gerenoveerde boerderij in Umbrië. „En toen kregen we 2007 en 2008. De financiële crisis is ook mij niet goed bekomen.” Sinds kort is hij weer actief met een nieuw bedrijf, Pharos Communicatie. „Ach, ik zie het zo: dans is schrijven in tijd en ruimte. Zo sta ik ook in het leven: je moet telkens opnieuw je positie bepalen.”

Universitair docent

Anna Seidl (München, 1966) heeft als universitair docente Duitse taal en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam veel aan haar ruim twintig jaar podiumervaring. „Al die 18- en 19-jarigen die denken: ha, studietijd, vrije tijd! Dan moet je alle zeilen bijzetten om ze wakker te houden.” Het grootste deel van haar loopbaan danste Seidl bij Het Nationale Ballet, waar zij opklom tot eerste soliste. In haar laatste dansjaren begon zij te studeren. In hoog tempo voltooide zij haar research master project, om zich, met financiële steun van de SOD, te storten op haar promotieonderzoek. Onderwerp: het oeuvre van literatuurwetenschapper en romancier W.G. Sebald. Promoveren is noodzakelijk om verder te komen in de literatuurwetenschap: „De competitie is hier even groot als in de balletwereld. Zonder PhD stel je niks voor.” Tegenwoordig moeten foto’s haar geheugen opfrissen als het om haar danscarrière gaat. „Dan denk ik: verrek, dat heb ik ook gedaan! Zie je, als ik iets doe, zit ik er voor 100 procent in en telt niets anders meer. Nu dus ook.”

Verloskundige

Na een gevarieerde loopbaan was Inken Landskröner (Marl, 1972) drie jaar geleden haar bestaan als freelance danser ontgroeid. Ze was het onzekere bestaan beu en wilde aan een toekomst werken. Maar wat? Er volgde een proces van afscheid nemen en een actieve zoektocht naar een nieuwe roeping. Die werd duidelijk toen iemand naar haar droomberoep vroeg. „Huisarts!” Ze ontdekte dat alles wat zij van de huisartsenpraktijk interessant vond, samenkwam in de verloskunde. Nu volgt zij de intensieve opleiding tot verloskundige, een combinatie van leren en werken. „Ik kan het bolwerken met de steun van het omscholingsfonds van de SOD, dat een minimumsalaris uitkeert en het schoolgeld en de boeken betaalt. Daarmee voel ik me ontzettend rijk!” Haar medestudenten zijn in sommige opzichten het tegendeel van haar vroegere collega’s. „Nuchter en verantwoordelijk, honkvast, vaak al vroeg getrouwd en kinderen. Aards. Dansers zijn speels, internationaal georiënteerd en minder gericht op vastigheid.” Toch zijn er ook raakvlakken: onregelmatige werktijden, sterke prestatiedruk, ‘in het moment zijn’. „En barende vrouwen verleggen hun pijngrens. Met mijn ervaring kan ik hen daarbij goed helpen.”

1986 Minister Elco Brinkman van WVC schenkt 1 miljoen gulden startkapitaal, dansers mogen studeren met behoud van uitkering.
1996 De regeling dreigt aan haar eigen succes ten onder te gaan. Staatssecretaris Aad Nuis van OCW stelt structurele subsidie in.
1999 Ministerie van Sociale Zaken kondigt aan vervolguitkering dansers te staken.
2002 Staatssecretaris Cees van Leeuwen ‘redt’ de regeling met een verhoging van de subsidie tot acht ton.
2009 Algemene Rekenkamer verbiedt ministerie van OCW ‘arbeidsvoorwaarden aan derden’ te financieren; subsidie SOD wordt over de gezelschappen gespreid. Die verbinden zich in de cao de bijdrage tot en met 2012 door te sluizen.
2013 Bezuinigingen treden in werking.Voorwaarden voor ondersteuning: 10 jaar werkzaam bij structureel gesubsidieerd gezelschap in Nederland en ten minste 72 maandelijkse premiebetalingen.

Verplichte premie voor alle dansers van structureel gesubsidieerde gezelschappen in Nederland: 1 procent van het bruto maandsalaris. Premie per danser, door gezelschappen betaald: 3 procent van het bruto maandsalaris.