Met zo'n ruil van sperma en eicellen is niets mis

De gynaecologen wijzen de ruil van eicellen en sperma af bij paren die anders onvruchtbaar zijn. Veel paren zijn daarvan de dupe, stelt Guido de Wert c.s.

Paren die geen kinderen kunnen krijgen, zijn in veel gevallen te helpen met eiceldonatie (als de vrouw onvruchtbaar is) of met spermadonatie (als de man geen goede zaadcellen heeft). Door tussenkomst van een gynaecoloog kan het paar dan toch een kind krijgen.

Maar het is niet eenvoudig om aan donoreicellen of aan donorsperma te komen. Soms wil een broer, vriend, zus of vriendin als donor optreden, maar als die er niet zijn, of daartoe niet bereid zijn, blijft er voor wie zaadcellen nodig heeft niets anders over dan de spermabank, met lange wachtlijsten. Eicelbanken bestaan nog niet. Door het grote tekort aan zaad- en eiceldonoren zoeken veel paren hun heil in het buitenland. Daar bestaan commerciële vormen van donatie die in Nederland verboden zijn.

Een aanvullende manier om het tekort aan sperma en eicellen te verkleinen, is een systeem van wederkerigheid. Van een paar dat zaadcellen nodig heeft, doneert de vrouw eicellen. Die worden binnen het systeem gebruikt om een paar te helpen waarvan de man op zijn beurt zaadcellen doneert.

Door deze ‘ruil’ zijn beide paren geholpen. De wachtlijsten worden korter.

Eind september werden over dit systeem Kamervragen gesteld. Is dit aanvaardbaar? De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) kwam deze maand met een afwijzend standpunt naar buiten. Haar bezwaren komen in hoofdzaak op het volgende neer. De vrouw die de eicellen geeft, moet een grotere inspanning leveren dan de zaaddonor. Ook vindt de NVOG dat behandelaars onvruchtbare paren niet kunnen vragen mee te doen aan dit systeem, omdat ze kwetsbaar zouden zijn – zij zijn immers afhankelijk van de behandelaar en dus niet volledig vrij om al dan niet te doneren. Ten slotte vindt de NVOG het problematisch dat een paar dat zelf doneert voorrang heeft bij behandeling. Hoe moet dan worden omgegaan met een paar dat medisch ongeschikt is als donor?

Deze kritiek is zwak. Dat een eiceldonor een grotere inspanning moet leveren dan een zaaddonor klopt, maar dit kan geen doorslaggevend bezwaar zijn. Binnen het huidige systeem leveren eiceldonoren (zus, vriendin) dezelfde inspanning – zonder dat zij daar iets voor terugkrijgen. Men kan toch moeilijk volhouden dat het moreel beter is om deze belasting af te wentelen op altruïstische vrijwilligers (zus, vriendin), dan een beroep te doen op degenen die zelf ook van de zaad- of eiceldonatie profiteren?

Bovendien kan het systeem van wederkerigheid zodanig worden verzacht dat ook mensen die niet zelf kunnen doneren toch van dit systeem mogen profiteren. En daarnaast staan voor hen de bestaande manieren om aan zaad- of eicellen te komen nog steeds open.

En wat betreft het veronderstelde gebrek aan keuzevrijheid: als het goed is wordt aan hulpvragers verteld dat dit een aanvullend systeem is waar ze wel of niet voor kunnen kiezen. Zolang dat gebeurt, is er niets mis met de vraag of ze wellicht mee willen doen. Waarom zou men onvruchtbare paren niet mogen vragen iets terug te doen voor wat ze ontvangen?

Het systeem van wederkerigheid wordt door de NVOG allerlei nadelen en bezwaren aangewreven die ook tegen vele op dit ogenblik aanvaarde donaties kunnen worden ingebracht. Zo zou er geen zekerheid bestaan dat de mensen die doneren in een dergelijk systeem de mogelijke gevolgen van eventuele contacten met biologische kinderen kunnen overzien. Waar is die zekerheid nu dan voor de huidige donoren? En, zo luidt de kritiek van de NVOG, mensen die zelf doneren, krijgen op basis van niet-medische criteria een voordeel (ze kunnen meestal direct worden geholpen). Maar dat is toch precies wat nu ook gebeurt bij mensen die hun eigen donor regelen?

De NVOG concludeert dat medewerking aan dit systeem ongewenst is zolang er geen waarborgen zijn voor een weloverwogen, onafhankelijke beslissing door donoren. Uit het gegeven dat de NVOG besluit met deze procedurele voorwaarde, leiden wij af dat de NVOG de inhoudelijke bezwaren ook zelf niet doorslaggevend acht. Als hier inderdaad een zwaardere procedure nodig zou zijn dan bij de andere vormen van donatie van zaad- of eicellen, kan dat gemakkelijk worden geregeld.

Gelet op de noodzaak te zoeken naar oplossingen voor het tekort aan zaad- en eicellen is de reactie van de NVOG een gemiste kans. Het lijkt wel of men het geen probleem vindt dat velen gedwongen afreizen naar het buitenland om daar een donor te vinden. Hoe dan ook: net als bij het orgaantekort rust de verantwoordelijkheid minstens gedeeltelijk bij de politiek. Hopelijk ziet ook de minister dat ruil van zaad- en eicellen een goede aanvulling vormt op het huidige systeem.

Prof. Guido Pennings is ethicus aan de Universiteit Gent. Prof. Guido de Wert en dr. Wybo Dondorp zijn ethici aan de Universiteit Maastricht.