Laat de spelling maar aanons over

Hoe spel je sudokuën, bedrijfspoedel of Halloween? Dat kunnen we zelf bepalen.

Privatiseer de spelling. Angst voor chaos is onnodig, kijk maar naar het Engels.

Moet twitteren met een hoofdletter? Heeft iemand die net met zijn Wii gespeeld heeft, lekker ge-Wiid? Hoort er een streepje in kutmarokkaan?

Nog maar duizend nachtjes slapen en we weten het antwoord. Volgens de spellingwet moet het Groene Boekje, de officiële Woordenlijst van de Nederlandse taal, iedere tien jaar worden herzien. En de laatste keer gebeurde dat in 2005.

De Nederlandse Taalunie, de organisatie die voor de Nederlandse en Vlaamse overheid alle taalbeleid uitvoert, is inmiddels begonnen met de voorbereidingen voor de volgende ronde, in 2015. Er is een nieuwe commissie van spellingdeskundigen ingesteld. En deze maand publiceerde de Taalunie een rapport met de titel “Ze kunnen niet meer spellen.” Kan de Taalunie er wat aan doen?

Het is een curieus rapport, onder andere doordat de Taalunie de vraag uit de ondertitel vrijwel meteen met ‘nee’ beantwoordt („De Taalunie heeft het mandaat noch de ambitie om in Nederland en Vlaanderen vast te stellen welke spellingkennis op de verschillende onderwijsniveaus moet worden aangeleerd en geoefend.”).

Waarom een overheidsorganisatie een nota publiceert over iets waarover ze zelf beweert dat ze machteloos is, blijft onduidelijk.

Waarschijnlijk is het waar, schrijven de auteurs, dat schoolkinderen minder goed kunnen spellen dan vroeger – uit een onderzoek van de taalkundige Jannemieke van de Gein blijkt zelfs dat leerlingen aan het eind van de middelbare school meer fouten maken dan aan het begin. Maar de Taalunie gaat nu eenmaal niet over het onderwijs.

Er zijn mensen die beweren dat de problemen ontstaan doordat de spelling iedere tien jaar verandert, en dat de Taalunie dus wel degelijk medeverantwoordelijk is.

Dat argument wijst de Taalunie van de hand. Uit tellingen zou naar voren komen dat het maar over een handvol woorden gaat die de vorige keer zijn veranderd: paardebloem werd paardenbloem, on line werd online en nog een paar meer.

Hooguit zijn die kwade tongen zelf schuldig, zegt de Taalunie, doordat ze mensen het idee geven dat er doorlopend van alles verandert en dat het dus geen zin heeft om tijd te steken in correct leren schrijven.

Bij iedere spellingwijziging barst er in Nederland een emotioneel debat uit over de vraag over de details. Is men nu helemaal gek geworden om internet met een kleine letter te schrijven? Tart pannenkoek niet alle wetten van de logica?

Meestal verschillen de partijen alleen van mening over de precieze vorm van de regels. Dát er regels nodig zijn, en dat de overheid die moet opstellen, staat niet ter discussie.

Een eenvoudige oplossing wordt daarbij stelselmatig genegeerd: de overheid moet zich niet met de spelling bemoeien. Er moet geen spellingcommissie zijn, er moet geen nieuwe editie van het Groene Boekje komen, de Spellingwet moet worden afgeschaft. Zelfs de Taalunie heeft hopelijk wel iets anders te doen dan eindeloos te debateren over de tussen-n.

Die mening hoor je zelden of nooit. Maar waarom zou je die spelling niet overlaten aan het vrije spel der maatschappelijke krachten? Ik ken maar één argument tegen. „Dan breekt chaos uit”, hoor je wel eens beweren, „omdat iedereen dan mag spellen hoe hij of zij dat wil.”

Dat dit geen hout snijdt, kunnen we zien aan het Engelse taalgebied, waar de overheid zich verre houdt van de spelling. De gevreesde anarchie doet zich daar niet voor. Integendeel, de spelling van het Engels is conservatiever dan die van veel andere talen. Op een enkel punt zijn er verschillen – in de Verenigde Staten schrijven ze color en in het Verenigd Koninkrijk colour, over de vraag wanneer men wel of niet een verbindingsstreepje schrijft, houden redacties van vooraanstaande kranten er verschillende ideeën op na – maar de gemiddelde lezer leest daar overheen. Tot verwarring hebben die kleinigheden niet geleid.

Feitelijk werkt het ontbreken van overheidscommissies in het Engelse taalgebied waarschijnlijk juist remmend op de veranderingslust. Een uitgever van woordenboeken of schoolmateriaal gaat niet op eigen houtje de spelling aanpassen, die is veel te bang dat zijn publicaties minder aantrekkelijk worden als ze afwijken van de bekende norm.

Overigens vinden voorstanders van de Spellingwet het kennelijk ook niet nodig om op andere gebieden allerlei bindende afspraken te maken. Zo bestaat er ook geen Uitspraakwet, zonder dat dit tot noemenswaardige problemen heeft geleid. Natuurlijk is spelling wat kunstmatiger dan spreken – het tweede kunnen we al voor we naar school gaan. Toch zou je je net zo goed argumenten kunnen voorstellen voor overheidsingrijpen in de ‘gruwelijke chaos’ die er nu heerst doordat sommige mensen een zachte g hebben; maar er is niemand die dat wil.

Na alle ophef uit 1995 en 2005 willen de Nederlandse en de Vlaamse overheid waarschijnlijk dat de nieuwe spellingcommissie zich beperkt tot het corrigeren van evidente fouten en het vaststellen van nieuwe woorden zoals youtuben (zij is lekker aan het -), usb-stick en sudoku. Er valt echter geen goede reden te bedenken waarom het nodig zou zijn dat zo’n commissie zoiets doet.

Bij nieuwe woorden bestaat er misschien in de eerste jaren enige onduidelijkheid over hoe je ze schrijft: moet je nu bedrijfpoedel schrijven of bedrijfspoedel, en past er ergens een streepje in begrotingsdisciplinecommissaris? Heel erg is dat niet. Na verloop van tijd gaat iedereen elkaar naschrijven en zo ontstaat vanzelf een norm. Op een goede dag leggen Van Dale en Het Spectrum, eerbiedwaardige bedrijven met een lange traditie, in hun woordenboek die vorm dan vast en daarmee is de kous af. Het onderwijs weet ook waar het aan toe is.

Bovendien: om hoeveel woorden gaat het nu helemaal? Wie de woorden bekijkt die Van Dale en Onze Taal de afgelopen paar jaar tot ‘woord van het jaar’ uitgeroepen hebben, wordt vooral uitgenodigd om in zijn geheugen te graven. Wie zit nog te wachten op spellingadvies voor de woorden Bokitoproof (winnaar in 2007), gastroseksueel, duyvendakken of spuugkit (die allemaal in 2008 en 2009 in de top-10 eindigden)? En wie is er benadeeld doordat de overheid zich nog steeds niet heeft uitgesproken over de verleden tijd van wildbreien – het breien van stukjes textiel die aan lantaarnpalen gehangen worden?

Zonder zo’n commissie kunnen uitgevers van kranten, woordenboeken en schoolmateriaal zelf en in eigen tempo bepalen hoe ze willen schrijven. Dat betekent geen chaos, maar rust. Als de overheid zich er maar eenmaal niet meer mee bemoeit, komt het vanzelf goed.

Marc van Oostendorp is hoogleraar fonologische microvariatie aan de Universiteit Leiden en onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW).