Ik schreeuw wel en jij schreeuwt ook

scene uit de film Who´s Afraid of Virginia Woolf. (1966) FOTO: Filmmuseum Elizabeth Taylor Richard Burton

Geweld trekt diepe sporen, dat is geen nieuws. Bij de slachtoffers, natuurlijk. Maar vlak de daders niet uit, die blijven ook niet ongeschonden. In Unforgiven, een van de beste films van Clint Eastwood (uit roulatie maar dankzij de dvd is er geen excuus om hem niet gezien te hebben) zie je ze modderen. Ze waren proto-hooligans in saloons en op prairies. Voor hen was moord normaal en angst iets dat je een ander aanjoeg. Nu zijn ze niet meer jong en wild en agressief, maar oud en beverig en agressief. Cowboys op leeftijd. Met de overmoed van de jeugd waren ze routineus gewelddadig en dat eist zijn tol. Op hun ouwe dag, laat Eastwood zien, zijn ze allemaal gestoord. Bang. Geweld is vooral een smerig dingetje, daad van vertrapte zielen die de kans vergooien om indrukwekkend te zijn. Ik zag het ook weer in Small Town Murder Songs, een kervend mooie film over een politiechef in een gehucht in Canada. Hij laat zich wederdopen. Met een plons achterover, aan de arm van de dominee, neemt hij afscheid van de onbeheerste beuker die in hem woont. Hij straalt, hij voelt zich herboren, hij zal eindelijk een goed mens zijn. Buiten ademen de barre velden bijbelteksten – de filmmaker beitelt ze in brute kapitale letters in de hemel. God ziet u. Jezus redt.

Vergeet het maar. Jezus redt helemaal niet.

In de marge van deze film broeit het huwelijksdrama van de politieman. Twee mensen met een eettafel ertussen. Hij haar man, zij zijn vrouw. Ze pakken elkaars handen, sluiten hun ogen, bidden samen. Ze willen geen drama, verlangen niet naar kicks. Ze willen alleen maar kalm met de ander vervloeien. Maar hun band is te iel.

Ik zit in het theater en zie het omgekeerde: een huwelijksband die tot het uiterste wordt aangevreten. Door geweld. Maar breken? Nee. Wie is er bang voor Virginia Woolf van Edward Albee is het huwelijksdrama van George en Martha, echtelieden die elkaar aanhoudend vernederen. Ik wacht op de geniale zin: „Ik schreeuw niet’’, antwoord van Martha op George’ vermaning dat ze niet zo moet schreeuwen. Toen Ank van der Moer in 1964 de allereerste Nederlandse Martha speelde, schreeuwde zij zo hard IK SCHREEUW NIET! dat het publiek zich een ongeluk schrok. Zo wil de overlevering. Ik weet niet of het waar is, maar ik geloof het graag.

Porgy Franssen en Olga Zuiderhoek spelen nu het paar. Lachen. „Ik schreeuw niet’ is hier ‘Ik balk niet’. Hm. Zo wordt het stuk een komedie. Tandeloos. Geef mij maar Elizabeth Taylor en Richard Burton in de verfilming. De ene was opgetrokken uit kokend lood, de andere slingerde met wurgend elastiek. Elke zin een giftige pijl. Ik genoot ook van de gekooide, grommende Martha van actrice Geert de Jong. Treurde later om de in zelfhaat verzuipende George van de Vlaming Peter De Graef. Huiverde toen bij Ria Eimers en Bert Luppes als Martha en George als verstikte kleinburgers. En ik was mikpunt van Guido Lauwaert, die in een tour de force zowel George als Martha gestalte gaf. In zijn versie werd het jonge stel dat bij hen op visite komt niet gespeeld, maar ingevuld door twee leden van het publiek die nietsvermoedend op een bankje vooraan waren gaan zitten. Mijn buurman en ik dus. Sindsdien bewonder ik het stuk nog meer, nu ken ik de verschrikkelijke kracht van Albee’s taal uit eigen ervaring. Zo welbespraakt afgezeken worden, het laat je stuiteren, ook als het ‘maar’ toneel is.

Zie ik een goeie Wie is er bang, dan zie ik in eerste instantie een stel dat elkaar verbaal afslacht, met de sterke drank als excuus en brandstof. Zodra ze het jonge stel hebben binnen gesleurd verandert dat. George en Martha hebben behoefte aan publiek. En zo weet ik weer dat ik geen echtelijke oorlog zie, maar een intense, exhibitionistische vrijpartij. Als ruziën genot is, dan is verbale verkrachting een liefdesdaad. Dat kun je akelig vinden, maar werken beide partijen naar hartelust mee dan valt de moraal stil.

Het echtpaar in Small Town Murder Songs bidt. Hand in hand, maar in zichzelf en dus apart en alleen. Het echtpaar in Wie is er bang voor Virginia Woolf scheldt elkaar verrot. Creatief, intiem, ze doen het voor elkaar. Het biddende stel gaat stuk. Het kijvende paar grauwt, snauwt en huilt. Uitgeput gaan ze slapen. Samen.

Joyce Roodnat