Een schatkamer voor biografen

In de werkkamer van Harry Mulisch is zijn aanwezigheid nog haast te voelen. In het toekomstige Harry Mulisch Huis vertellen de beheerders over zijn nalatenschap.

Amsterdam 14-10-2011 Werkkamer van Mulisch Foto NRC Maurice Boyer

‘Het eerstvolgende boek dat van mij uitkomt, moet opgedragen worden aan Tonio van der Heijden. Een groet van de dode aan de dode”, zei Harry Mulisch kort voor hij overleed tegen zijn vriendin Kitty Saal en hoogleraar Nederlandse letterkunde Marita Mathijsen. Die laatste is, samen met cultuurhistoricus Arnold Heumakers en uitgever Robbert Ammerlaan, de literaire executeur testamentair. Een paar maanden eerder was de 21-jarige zoon van de schrijvers A.F. Th. van der Heijden en Mirjam Rotenstreich verongelukt, vlak bij Mulisch’ huis.

Mathijsen en Heumakers hebben het afgelopen halfjaar vele uren doorgebracht in Mulisch’ werkkamer aan de Leidsekade in Amsterdam, waar ze met de hulp van Mulisch’ vrouw grote hoeveelheden geschriften, aantekeningen, dagboeken, agenda’s en aanzetten tot verhalen hebben doorgenomen en beschreven.

Het eerste resultaat is de publicatie van de onvoltooide novelle De tijd zelf, aangevuld met de opdracht aan Tonio van der Heijden, eerdere versies, dagboekfragmenten en als facsimile afgedrukte notities die op de novelle in wording betrekking hebben. „Er blijkt onder meer uit dat Harry al jaren een thema in zijn hoofd had dat over de dood van kinderen ging”, zegt Marita Mathijsen. Kitty Saal vult aan: „Zijn aanstaande eigen dood stelde niets voor vergeleken bij het overlijden van een kind.”

We zitten in de volledig intacte werkkamer van de schrijver. Het overgrote deel van zijn imposante oeuvre is in deze sfeervolle ruimte ontstaan en staat hier in metershoge boekenkasten. Aan de muur hangen verwijzingen naar zijn boeken, op de bureaus staan voorwerpen die ermee samenhangen. „Dit is de materiële versie van Harry’s universum”, vindt Arnold Heumakers. „Als je met een bepaalde blik om je heen kijkt dan zie je Mulisch’ zielenspiegel.”

Naast het bureau waarachter Heumakers en Mathijsen de afgelopen maanden hebben gewerkt, staan twee rekken met de legendarische pijpenverzameling van de schrijver. Kitty: „In 2003 is hij gestopt met roken, en vanaf die tijd leek er iets in hem te veranderen. Ook zijn dagboek houdt op in dat jaar. Het leek wel of hij geen urgentie meer voelde, alsof de noodzaak tot schrijven was opgehouden. Hij ging niet meer iedere dag naar zijn werkkamer.”

Wat Mathijsen en Heumakers aantroffen in de door Mulisch zelf al grondig geordende nalatenschap is volgens hen een Fundgrube voor toekomstige biografen. Maar een biografische publicatie – zoals de Vlaamse publicist Mark Schaevers met het boek De Wolken onlangs heeft samengesteld uit de nalatenschap van Hugo Claus – was niet hun doel.

Marita Mathijsen laat de kleine aantekenbriefjes zien, vaak met het opschrift van buitenlandse hotels zoals Hotel des Bains in Venetië, waarop Mulisch ideeën noteerde voor het werk dat hij onderhanden had. „Wij gebruiken dit materiaal om samenhang aan te brengen in de omvangrijke verzameling notities die betrekking hebben op zijn oeuvre. Van Harry mochten we met zijn nalatenschap doen wat we wilden. Tot nu toe hebben we voornamelijk geïnventariseerd wat er allemaal is en gekeken wat interessant genoeg is om uit te geven.” Behalve De tijd zelf, met essays van de bezorgers Heumakers en Mathijsen, is dat de roman De ontdekking van Moskou van ruim 160 pagina’s. Van deze roman in wording bestaan zes versies, waarvan één bijna voltooid.

Ook is er een toneelstuk tevoorschijn gekomen waarvan Heumakers en Mathijsen de indruk hebben dat het af is, alsmede materiaal voor de brievenroman Naasting uit 1953, van Mulisch en Jan Blokker. De executeurs hebben verder vele aanzetten gevonden voor De Compositie van de wereld, waarmee Mulisch al in 1949 bezig was en verder aforismen, enkele artikelen en toespraken.

In de jaren vijftig heeft Mulisch op instigatie van zijn vriend Hein Donner nogal wat materiaal verbrand, zoals in Twee opgravingen valt te lezen. „Daar heeft hij later spijt van gekregen”, zegt Heumakers. „Maar wat hij altijd heeft bewaard is een schrift met zijn allervroegste verhalen, onder andere De kamer uit 1947. Daardoor besefte hij dat hij schrijver was. Dat schrift is de wieg van Mulisch’ schrijverschap en daarmee het meest spectaculaire in de nalatenschap.” Volgens Saal beschouwde Mulisch dat schrift als een talisman. „Soms was hij het kwijt en dan vroeg hij mij: ‘Waar is het paarse schrift?’”

Niet alleen in het verschoten, tot grijs verkleurde ‘paarse schrift’ geven Heumakers en Mathijsen mij royaal inzage, ook in Mulisch handgeschreven’ dagboeken – een bijna magische ervaring. Even lijkt het alsof de schrijver zelf weer in deze gewijde ruimte aanwezig is en ik zijn uitbundige lach hoor. Fragmenten uit het dagboek zijn opgenomen in de uitgave van De tijd zelf en sommige ervan zijn erg grappig. Zo noteerde Mulisch op 11 januari 2000 dat hij in zijn droom belaagd werd door Parool-columnist Theodor Holman. „Zo hard ik kon haalde ik naar hem uit, maar aangezien hij niet bestond sloeg ik met volle kracht tegen de rand van het bed, zodat ik wakker werd van de pijn.” Achteraf bleek de pees van de pink van zijn rechterhand gescheurd te zijn. Volgens Heumakers en Mathijsen, die nog niet alles van A tot Z hebben kunnen lezen, bevatten de dagboeken weinig persoonlijke ontboezemingen. Wel heel persoonlijk is het getekende zelfportret van Mulisch als achttienjarige, dat sprekend lijkt op Menzo, de in 1992 geboren zoon van Mulisch en Kitty Saal. „Harry kon heel goed tekenen”, zegt Saal. „Hij had kunstschilder kunnen worden, maar dat wilde hij niet omdat hij daar vieze handen en kleren van zou krijgen.”

Kitty Saal, die de omslagfoto van De tijd zelf maakte, komt voortdurend met interessante terzijdes en mooie vondsten. Terwijl Heumakers en Mathijsen de documenten laten zien waarop zij de uitgave baseerden van De tijd zelf, dat in een van de eerdere versies Astra heette, legt zij opeens een nieuwe vondst op tafel. „Dit lag op een stapel lege schriften”, zegt ze. Het gaat om een maagdelijk notitieboek met als enige tekst ‘Astra of De klassieken’, de zoveelste, maar nog niet eerder aangetroffen ondertitel die Mulisch voor Astra in petto had. Een eerder versie luidde ‘Astra, een legende’.

De nalatenschap mag dan een schatkamer voor biografen zijn, vooralsnog heeft zich niemand aangediend om Harry Mulisch. Een legende te gaan schrijven. Marita Mathijsen zou het liefst zien dat de toekomstige biograaf een historicus met een goede pen is. Iemand die de grote veranderingen in de tijd waarin Mulisch actief was kan weergeven. Zelf wil ze geen Mulisch-biografie schrijven. „Ik ga in november en december een openbare collegereeks over zijn werk geven en daar komt een uitgave van.”

Heumakers voorziet dat ook hij over het oeuvre van Mulisch zal blijven schrijven, maar in diens privébeslommeringen is hij minder geïnteresseerd. Wat Kitty Saal betreft mogen er meerdere biografieën komen, met zowel aandacht voor het werk als voor de tijdgeest, het privéleven en het karakter van Harry Mulisch. „Het mooiste is natuurlijk als dat allemaal in één boek kan.” Aan haar zal het niet liggen, de deuren van het Mulisch Huis staan wagenwijd open.

Elsbeth Etty