Bij Gardiner gaat perfectie voor al

Monteverdi Choir, Orch. Révolutionnaire et Romantique/Sir John Eliot Gardiner. Gehoord: 25 okt. Concertgebouw Amsterdam. ***

Hoe ver ga je, als authentiek dirigent? Waar Frans Brüggen al grondslagendiscussies voerde over de wenselijkheid van de latere Beethoven op oud instrumentarium, slaat John Eliot Gardiner zijn vleugels nu uit tot ver in de twintigste eeuw.

Brahms, Bruckner en Stravinsky leidde hij dinsdag in het Concertgebouw, met zijn eigen, voor de negentiende eeuw opgerichte Orchestre Révolutionnaire et Romantique.

De meerwaarde van authentiek instrumentarium was in de gekozen werken relatief beperkt; bij de natuurkoperblazers in Bruckner en Brahms woog het warme timbre niet altijd op tegen het zuiverheidsverlies. En ook in Stravinsky’s fraai transparant uitgevoerde Psalmensymfonie (1930) was de perfectie primair muzikaal; zelden zo’n messcherp gemarkeerd Laudate dominum gehoord.

In zijn interpretaties laat de geboren perfectionist Gardiner dan ook geen komma aan het toeval over. In Brahms’ doorgaans zeer emotionerende Begräbnisgesang leidde die aanpak tot een imponerend afgetraind maar wat afstandelijk resultaat. Het krap veertigkoppige Monteverdi Choir reageerde op al zijn handwenken met maximale discipline. Maar Brahms bloeit Brahmsiger als de aanpak juist romiger is, vloeiender, minder tot in de puntjes gecontroleerd.

Ook in de Mis in e-klein van de intens religieuze Bruckner gingen afwerking en dictie boven alles, met een weinig kathedraal resultaat. Koor en blazersensemble stelden een klaroenachtig klankbeeld in plaats van dynamische warmte en ruimtelijkheid. De tekst kwam huiveringwekkend fel over. In die zin was dit juist een über-authentieke Bruckner – heeft Gardiner toch weer gelijk.

    • Mischa Spel