Alles vangen in één moment

Onaardse schoonheid middenin de rommelige nietigheid van het dagelijks leven, dat laat Marijke van Warmerdam de kijker ervaren. Ze heeft nu een retrospectief in museum Boijmans Van Beuningen.

Bert Nienhuis

k houd ervan als kunst het leven heel dicht nadert, er bijna in opgaat maar net niet”, zei ze ooit. Marijke van Warmerdam (1959) is een precies observator van minuscule dingen en handelingen. Daarover spreken doet ze net zo precies.

Dit weekeinde opent Marijke van Warmerdams eerste grote overzichtstentoonstelling, in museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. In de gigantische en lastig in te richten Bodon-zalen op de eerste verdieping zal een kleine twintig jaar werk te zien zijn. De vroegste beelden, de zeefdrukken, foto’s, filmwerken hangen en staan niet in chronologische volgorde. Met opzet. Het zal draaien om verschillende manieren van kijken: om verdubbelen, kantelen, herhalen, spiegelen en bewegen. Het zijn ‘strategieën’ die Van Warmerdam gebruikt om het kijken niet alleen te ondergaan, maar ook aan de orde te stellen. Vaak gaat het om het ene dat voortkomt uit het andere en er weer in verdwijnt. Inderdaad, zoals in een filmloop. Verlaat je de tentoonstelling, dan kun je een witte bal volgen die op een hemelsblauwe muur vijftig meter lang terug stuitert naar het begin van de tentoonstelling.

Eigenlijk kwam Marijke van Warmerdam begin jaren negentig vanuit het niets opzetten. Met haar eerste filmwerken – Kring, Handstand en Passage, allemaal uit 1992 – deed ze twee jaar na het verlaten van de Rijksakademie mee aan de Prix de Rome. Ze won er ‘slechts’ een basisprijs mee. Haar internationale doorbraak volgde op de Biënnale van Venetië in 1995 en Documenta X in Kassel (1997).

Van die drie vroege werken is Handstand de bekendste geworden. De film is archetypisch voor Van Warmerdam. In een korte loop vangt ze het ogenblik dat een meisje in een witte jurk een handstand doet tegen de muur – de aanloop, het knietje omhoog bij het afzetten, de jurk die als een melkwitte waterval naar beneden stort en buik, navel en benen ontbloot, de benen weer terug op de grond, het weglopen, de aanloop, opnieuw de handstand. Net zo simpel klinken omschrijvingen van haar overige werk. In 1998 filmt ze hoe een hoed op de thermiek in een bergkloof wegzweeft en terugkeert (Le retour du chapeau). Ze neemt in 2006 een kristalhelder glas water en laat zien wat er gebeurt als je daar druppels melk in laat vallen (Dream machine). Ze filmt de wind die sporen trekt over een verlaten industriegebied, een meisje dat haar lange haar föhnt, een man onder de douche, een oud paar dat op een bankje in een park over het leven mijmert (Couple, 2010).

Soms staat de camera stil, soms draait hij om het onderwerp heen, soms klapt hij om en draait het beeld. Altijd is er het gevoel alsof de tijd vertraagt en bijna tot stilstand komt. Altijd is er de suggestie dat vlak voor dat definitieve einde een raadsel verborgen zit dat je als kijker kunt oplossen. Maar nee – net niet. Wat blijft is het vermoeden van een wereld die totaal was, zoals in een lang geleden glorieuze kindertijd. Wat blijft zijn beelden van een haast onaardse schoonheid middenin de rommelige nietigheid van het dagelijks leven.

Van Warmerdam woont in een drie verdiepingen tellend herenhuisje op een van de mooiste plekken in Amsterdam. Rechts is het groen van het Jacob Marisplein, links het water waarover binnenvaartschepen en plezierjachten van het Nieuwe Meer naar het IJ varen. Voor mij staat een vriendelijk lachende vrouw met halflang donker haar in de deuropening. We gaan naar boven, naar de keuken, waar ze koffie zet.

Ik vraag haar naar gewone dingen, naar de gewone handelingen die ze verricht als ze uit bed stapt.

Wat gebeurt er dan?

„Dan gaat mijn wekker hè, en word ik wakker. Ik heb zo’n schuin raam boven mijn hoofd. Dat is het eerste wat ik van de wereld zie. Ik kijk door het kantelraam naar een uitsnede van de boom die voor mijn huis staat. Ik zie kale takken in de winter, of er sneeuw op de boom ligt, de manier waarop hij uitbot in de lente, in de zomer zie ik hoe het zonlicht op de bladeren valt.”

„Privézaken”, vindt ze dat, zaken die haar werk eerder verstikken dan dat ze het verhelderen omdat het verklaringen lijken te zijn. „Het werk is dan niet langer open en krijgt geen kans nog aan betekenis te winnen zoals dat kan gebeuren in een tentoonstelling.”

Ze gaat voor het raam zitten. „Ik wil grip houden, om misverstanden te voorkomen, als het even kan. Dus ik wil graag lezen wat er over mijn werk geschreven wordt voordat het gedrukt staat. Niet dat ik goed kan schrijven. Ik heb de neiging om me te verliezen in iedere zin. K. Michel, een goede vriend van me, zei laatst: ‘Teksten zijn geen ijsklontjes. Teksten zijn vloeibaar als water. Als je één woord verandert, verandert alles mee.’ Hij heeft helemaal gelijk.”

Haar meest recente werk is een film met een oude knotwilg in de hoofdrol en drie ara’s, Cleo, Kiwi en Lara.

Het is een haast barok werk, een groot contrast met de efemere werken van het begin.

„Ik zat in het circus en zag daar een act met papegaaien. Prachtig! dacht ik, die gekleurde vogels die rondjes vliegen boven de hoofden van het publiek. Dat beeld liet me niet los. Een paar weken later reed ik door de stad en zag ik bij het Westerpark een stokoude knotwilg waar in de stam een doorleefd gezicht te zien is. Zo ontstond in mijn hoofd een film met vogels en een boom.” Ze spreidt haar handen. „Eigenlijk iets heel gewoons, toch – vogels en een boom? Maar ook weer niet als die vogels om de boom cirkelen. Tijdens het filmen ging een papegaai recht voor de lens zitten, kijkend naar de boom, waardoor je even door de ogen van de vogel kijkt. Het was de onverwachte krent in de pap. Je kunt het vergelijken met Caspar David Friedrichs wandelaar, over wiens schouder je meekijkt naar de zee.”

Die romantische schoonheid komt u bij toeval tegen?

„Ja, vaak wel. Als je tenminste bedoelt dat schoonheid datgene is waartoe je je aangetrokken voelt. Maar dat wil niet zeggen dat mijn werk toevallig is. Ik wil zo’n moment vangen in een beeld dat meerdere kanten heeft – op zijn minst twee. Ik ben nooit tevreden met pure registratie alleen. Door een beeld te herhalen, de camera te draaien, door twee kanten van hetzelfde moment te laten zien, door tegenstellingen en overeenkomsten bij elkaar te brengen, probeer ik te raken aan dat verlangen om meerdere momenten in één moment te vangen.”

Waar komt dat verlangen vandaan?

Ze schuift op haar stoel. Mompelt: „Ik houd niet van achteruitkijken.” Zwijgt. Dan ineens: „Als ik aan mijn jeugd denk, is er één ding dat ik me van mezelf herinner. Ik was een nakomertje. Ik had drie broers, van wie er één overleed toen hij zestien was. Ik was acht, ik begreep niet precies wat de dood van mijn broer inhield. Maar ik besefte dat er iets verschrikkelijks was gebeurd. Ik wilde die ramp, dat verdriet, verzachten voor mijn ouders.

„Het beeld dat ik heb is dat ik als kind aan tafel op twee stoelen tegelijk zat: op die van mij én op die van mijn broer. Ik wilde een plaatsvervangende pijnstiller voor mijn ouders zijn, die niet over het wegvallen van mijn broer konden praten. Daarom hou ik denk ik zo van dingen die niet verzwegen worden. Voor de draad ermee! Daarom laat ik misschien van die concrete dingen zien, zoals douchen, je haar föhnen of melk in water laten druppelen.”

Er is nu een overzicht, een terugblik op twintig jaar werk. Dat dwingt u tot achteruit kijken. Maar u heeft een hekel aan achteruit kijken.

„Ja. Ik houd meer van vooruit dan van achteruit. Ik kan mezelf nu plaatsen naast mijn werk van twintig jaar geleden, dat kon tien jaar terug nog niet. Natuurlijk krijg ik meer bewustzijn over de dingen die ik in het verleden heb gemaakt en kan ik daardoor beter anticiperen op dingen die om me heen gebeuren. Waar het om gaat is, hoe ik morgen een nieuw werk maak zonder dat ik oude koeien uit de sloot haal. Ik draag een rugzak aan ervaring met me mee die nog altijd een gat onderin heeft, waardoor ik telkens weer opnieuw begin.”

Dichtbij in de verte. Een overzicht van het werk van Marijke van Warmerdam, samengesteld door Jan Debbaut. T/m 22/1 in Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Di t/m zo 11-17 uur. Catalogus 34,95 euro. De expositie reist later naar Porto en Düsseldorf. Inl: boijmans.nl

    • Lucette ter Borg