Zonen Van Bommel klaar voor nieuwe markten

De negende generatie Van Bommel zoekt nieuwe uitdagingen. In 2009 besloten algemeen directeur Reynier van Bommel en zijn broers het roer om te gooien en „weer te gaan ondernemen”. Na Nederland, Duitsland en België is de schoenenfabrikant op zoek naar klanten in een vierde land.

Reynier van Bommel. Algemeen directeur van Van Bommel superior shoes uit Moergestel. Reynier is samen met zijn twee broers de negende generatie schoenmakers binnen van Bommel. Foto: Peter de Krom

Midden in een woonwijk in het Noord-Brabantse dorp Moergestel liggen de fabriek, het kantoor en het magazijn van schoenbedrijf Van Bommel. Morsige, lage witte gebouwen met voorop in blauwe letters de bedrijfsnaam en het koninklijk embleem met de tekst: hofleverancier. Want Van Bommel levert de schoenen van de koninklijke lakeien.

In de eenvoudige ontvangstruimte hangt een stamboom. Die begint in 1673, bij de geboorte van Reynier van Bommel. Zijn zoons Adrianus en Christianus stonden in 1734 bekend als meester schoenmakers. Zij zijn de eerste generatie Van Bommel schoenmakers.

Algemeen directeur Reynier van Bommel (38) komt stipt om tien uur binnen – gebleekte spijkerbroek, rood sjaaltje in blauw overhemd. Hij gaat voor naar zijn kantoor, de kamer waar tot 1999 zijn vader werkte – zonder computer. Reynier, zijn broers Floris (36) en Pepijn (32) zijn de negende generatie Van Bommel schoenmakers.

Nog even loopt een medewerker binnen, met een vraag over een laat betalende klant. Reynier geeft gedecideerd instructies. Als de medewerker weg is, zegt hij glimlachend: „Die dingen gebeuren”. Hij vraagt zijn secretaresse koffie te brengen en begint dan te vertellen. Eerst over alle familieleden op de zwartwitfoto’s aan de muur. Dan over zijn vader, Frans.

Frans’ drie broers wilden in de jaren zeventig niet in het familiebedrijf werken. Twee werden er docent, één ging naar Philips. Frans was de enige zoon die in dienst trad bij zijn vader en zijn oom. Begin jaren tachtig kocht Frans de aandelen van zijn vader in een crisistijd waarin het slecht ging met het bedrijf. Later nam hij ook de aandelen van zijn oom over, tegen een hogere prijs omdat het bedrijf weer goed draaide. Dat heeft de familierelaties blijvend onder druk gezet.

Of Frans hierdoor met enige zorg uitzag naar het moment dat zijn zoons al dan niet zouden beslissen in het familiebedrijf te komen werken, weet Reynier niet. „Dat heb ik mijn vader nooit gevraagd.” Wel weet hij dat zijn vader naar de notaris ging.

Hij liet vastleggen hoe je bij Van Bommel directeur wordt. De aandeelhouders moesten je voordragen. De Raad van Advies, de directie en het middenkader moesten unaniem instemmen met je benoeming. Reynier: „Dan konden wij onze vader nooit kwalijk nemen dat we geen directeur werden”.

En hij liet zwart op wit zetten dat hij op zijn zestigste zou stoppen met werk. Reynier: „Mijn grootvader kwam tot een week voor zijn dood – tot zijn tachtigste – nog het kantoor van mijn vader binnenstormen. Of er nou belangrijk bezoek was, of niet. Dan wapperde hij met krantenknipsels en zei: Je moet het zo doen Frans. Of hij begon over vroeger.”

Na de havo, deed Reynier het vwo. Daarna ging hij bedrijfskunde studeren in Maastricht. Misschien onbewust al met het idee dat hij uiteindelijk toch in het familiebedrijf wilde werken. Na een vader-zoon avond van zijn dispuut, het eerste studiejaar, liepen Reynier en zijn vader naar huis. „Ik was in de olie. Toen schijn ik te hebben gezegd: Pa, ik wil bij jou in de fabriek komen werken.”

Zijn tweede en derde studiejaar genoot Reynier van het studentenleven en haalde weinig studiepunten. Inmiddels was zijn vader 56 en hij zei: „Jongen, ik wil graag twee jaar met jou in het bedrijf werken, voor ik met pensioen ga”. Reynier besloot met zijn studie te stoppen. „Met een hoop verdriet. Ik nam mezelf ontzettend kwalijk dat ik niet genoeg van mijn studie had gemaakt.”

Zijn vader en hij bedachten een alternatief opleidingstraject van twee jaar. Want, vonden ze, het zoontje van de baas moet het bedrijf binnenkomen met kennis van schoenen.

Eerst ging Reynier in Vught naar de nonnen om Italiaans te leren. Daarna reed hij in een goudkleurige Opel Vectra naar een piepklein schoenenfabriekje in Fuccecio. Hij liep zes maanden mee met een enkel Italiaans sprekende schoenmakersfamilie.

Toen reisde hij door naar een leerlooierij vlakbij Venetië. Daar voelde hij zich „heel zielig”. Hij mocht weinig doen, dus liep hij hele dagen met een notitieblokje rond om te noteren wat hij zag. Als hij ’s avonds na het eten in zijn sjofele hotelkamertje terugkwam, dacht hij: En nu? Tot overmaat van ramp maakte zijn Nederlandse vriendin het in die tijd telefonisch uit.

In Milaan leefde hij weer op. Daar volgde hij een opleiding van zes maanden tot modelleur. Ook het half jaar in de schoenwinkel in Parijs was bijzonder. „Als ik terugkijk, was het een mooie tijd.”

Bij Van Bommel begon hij als vertegenwoordiger. Hij promoveerde van een Opel naar een Volvo en reed met koffers vol schoenen in zijn achterbak Midden-Nederland rond om schoenen te verkopen. Dat deed hij twee jaar. Al woonde hij steeds vaker vergaderingen bij die zijn vader voorzat en droeg zijn vader steeds opnieuw dossiers aan hem over.

Toen zijn vader met pensioen zou gaan, vroeg hij: „Wil je directeur worden.” Reynier zei: „Ja”. Er werd unaniem ingestemd met zijn benoeming, op voorwaarde dat hij twee jaar gebruik zou maken van een personal coach. In juni 1999 begon Reynier als commercieel directeur. In december 1999 kwam broer Floris ook in het familiebedrijf werken. Hij stortte zich op marketing en design.

De broers namen ruim de tijd om zich het bedrijf eigen te maken. „In het begin belde ik mijn vader dagelijks met vragen.” Ondertussen groeide het bedrijf. In 1997 had vader Frans het hippe merk Floris van Bommel in de markt gezet. Dat werd een succes. In 1997 produceerde Van Bommel 160.000 schoenen per jaar, in 2007 wel 420.000.

„We waren van een schoenfabriek met klein handelshuis geworden tot een handelshuis met een kleine fabriek.” In 1997 produceerde Van Bommel negentig procent van zijn schoenen in Nederland. In 2007 nog maar twintig procent (terwijl het aantal schoenen dat in Nederland werd gemaakt gelijk bleef). Het leeuwendeel van de Van Bommel schoenen werd in 2007 gemaakt in dertien schoenenfabrieken in Portugal.

Maar de organisatie was niet toegerust op die veranderingen. „Steeds meer winkeliers belden. Schoenen werden te laat geleverd. Bestellingen waren niet compleet. Ik had er slapeloze nachten van.” In 2009 was de maat vol. Reynier en Floris zeiden tegen elkaar: „Er is een cultuurverandering nodig binnen ons bedrijf. We hebben nu tien jaar lang samen met de algemeen directeur op de tent gepast. Het is tijd om weer te gaan ondernemen. Ons familiebedrijf is tenslotte groot geworden door goed ondernemerschap”.

Ze ontsloegen de algemeen directeur die al 21 jaar bij Van Bommel werkte. „Een zware beslissing.” Van nog drie andere mensen op topposities werd afscheid genomen. Reynier werd algemeen directeur en er werd een commercieel specialist aangenomen. De afdeling inkoop en logistiek werd geprofessionaliseerd.

De vertegenwoordigers gingen anders werken. Reynier: „In Nederland zijn in totaal 3000 verkooppunten. Wij beleveren er zo’n 1200. Dat zijn er eigenlijk te veel. Wij zoeken steeds meer naar exclusieve verkooppunten die een hele brede selectie van onze schoenen willen laten zien.”

Nee, ze streven er niet naar in Nederland zelf een heleboel Van Bommel winkels te openen. „Wij verkopen al generaties lang goed schoenen via winkeliers. Die willen we niet dwarszitten.” Ze laten het bij die ene Floris van Bommel winkel in Amsterdam. „Daar kunnen we laten zien wie we zijn. Die winkel kunnen we gebruiken voor onze campagnes. Laatst trad in de winkel de metal band Textures op. Zoiets had pa niet kunnen bedenken.”

In België benadert Van Bommel de markt weer anders. Daar hebben de broers nu 300 verkooppunten, maar willen ze zelf ook steeds meer winkels openen „om het merk een extra boost te geven”. In Duitsland willen ze vooral veel eigen winkels hebben.

„Nu hebben we drie landen onder de knie. Volgend seizoen zijn we klaar voor het volgende land. We weten nog niet welk. Dit jaar hopen we met op een omzet van veertig miljoen euro.” De helft van alle schoenen die ze verkopen is van het jeugdige merk Floris van Bommel, vijf procent is van het exclusieve merk Noble Blue, de rest is gewoon: Van Bommel.

Inmiddels is Floris Creatief directeur. Sinds een jaar werkt ook jongste broer Pepijn bij het familiebedrijf. Hij is Commercieel directeur en zegt deze vrijdagmorgen in het voorbijgaan tegen Reynier: „Als je zo een rondleiding gaat geven, neem dan de nieuwe secretaresse mee.”

Daar gaan we dan. Eerst langs de mensen van de kwaliteitscontrole. Die laten in laboratoria de slijt- en inscheurweerstand testen. Van zolen, van schachten. Die reizen naar Portugal om te zien hoe de productie daar verloopt. Op een bureau ligt een doorgezaagde schoen.

Dan naar de eenvoudige ruimte waar Floris en zijn designers nieuwe schoenen bedenken. „Professionele ontwerpstudio”, staat er met stift op de muur geschreven. En even verderop naast de moodboards met de eerste ideetjes voor de winter van 2013, staat: „Hou eens op met al dat op de muur geschrijf”. Reynier grijnst: „Dan zie je ook hoe mijn broer werkt.”

Verder, naar het magazijn van 3000 vierkante meter. Vol schoenen, veters, zolen, hakken, lijm. Schappen vol leer die de leermeester van het bedrijf bij Italiaanse looierijen heeft ingekocht. „Er ligt hier wel voor een paar ton aan leer.”

Tenslotte naar de schoenfabriek – oordopjes in. „Hier maken 55 mensen 600 schoenen per dag.” We lopen langs een ouderwets ogende transportband, waar werknemers voortdurend schoenen vanaf halen. Om de binnenzool aan de schacht te bevestigen. Om leer op te poetsen of juist af te wassen. Om de zijkant van de zool met een soort tandenborstel in de juiste kleur te verven. Tenslotte staan er mensen veters in schoenen te doen. „Ook daar bestaat geen machine voor.”

Boven de fabrieksmedewerkers hangen twee borden. Op het ene staat: Vakmanschap vestigt ons merk, handhaaft dit door keurig werk. Op het andere: Denk aan de dag van morgen. Door mooi werk minder zorgen. Reyniers vader nam ze mee uit de oude fabriek.

Voor we de fabrieksruimte verlaten, blijft Reynier staan. Hij gebaart. „Hier staan vakmensen. Soms tweede of derde generatie schoenmakers. Ze weten dat mijn vrouw zwanger is en zeggen: hopelijk is het een jongetje. De tiende generatie.”