Zeg, zo houd ik mijn pistool echt niet vast

De makers van De Heineken ontvoering zijn niet de eersten – en vast ook niet de laatsten – die door criminelen worden aangesproken op een onwelgevallige gangsterfilm.

Op een lenteavond in 1992 parkeerde filmregisseur Juzo Itami zijn auto bij zijn huis, toen drie mannen op hem afkwamen. Twee grepen hem vast, de derde sneed hem in gezicht en hals. „Heel langzaam, ze namen alle tijd”, zou Itami later zeggen. De mannen reden weg in een zwarte auto en de bloedende filmmaker kon zich nog net zijn woning binnenslepen, waar zijn vrouw hem opving.

Een paar dagen eerder was van de regisseur, beroemd door filmhuishit Tampopo (1985), een gangsterkomedie in première gegaan. In Minbo no onna is een advocate, gespeeld door de vrouw van Itami, een bende brute afpersers te slim af. De film had in Japan goeie recensies gekregen en zou een kassucces worden. Maar Juzo Itami heeft nooit meer een gangsterfilm geregisseerd.

Kunnen de makers van De Heineken ontvoering opgelucht ademhalen? Na het vonnis van de rechter vrijdag, dat ontvoerder Willem Holleeder ongelijk had en er geen reden was om de film te verbieden, liet de veroordeelde crimineel vanuit zijn cel producent IDTV feliciteren met de uitslag en wenste hij de producent „veel succes met de film”. Gangster Meyer Lansky zag in 1974 The Godfather II, herkende zichzelf in de Joodse maffiabaas Hyman Roth en belde met acteur Lee Strasberg om hem te feliciteren. En hij voegde eraan toe: „Maar je had me wel wat aardiger mogen maken. Ik ben grootvader, hoor.” Was dat nog een compliment of al een dreigement?

De film- en de onderwereld draaien al een eeuw om elkaar heen. In 1912 regisseerde de Amerikaan D.W. Griffith de gangsterfilm The Musketeers of Pig Alley, die door de distributeur werd aangeprezen om de bijrollen met echte gangsters. In zijn boek Hollywood and the Mob komt journalist Tim Adler met een reeks anekdotes over de wederzijdse bewondering, de wederzijdse zorgen en de samenwerking van filmers, producenten, acteurs en gangsters. Zijn voorbeelden gaan van de weduwe van Al Capone, die eind jaren vijftig via de rechter politieserie The Untouchables probeerde tegen te houden, tot de invloed van de Godfather-trilogie op echte gangsters; die begonnen het hoofd van hun familie ineens ook godfather te noemen, zijn ring te kussen en in Palermo kregen drie aannemers een ‘laatste waarschuwing’ in de vorm van een afgesneden paardenhoofd in hun auto.

Adler beschrijft hoe gangsters probeerden films te stoppen of op zijn minst te beïnvloeden. Toen Ben Hecht het scenario voor de originele Scarface (1932) aan het schrijven was, werd op een avond bij hem aangeklopt. Voor de deur zag hij „twee onbekenden met koude ogen”. Een van hen had een kopie bij zich van het treatment, de uitgebreide samenvatting van het scenario. Heeft u dit geschreven, vroeg de man. Ja, zei Hecht. Wij hebben het gelezen, zei de man. Wat vond u ervan, vroeg Hecht. De man: Gaat dit over Al Capone? Nee, zei Hecht, het gaat over anderen, Dion O’Banion, dat soort gangsters. Goed, zei de man, dan zeggen we Capone dat het over iemand anders gaat. Hecht wilde de deur al sluiten toen de mannen zich nog iets bedachten. Als het niet over Capone gaat, waarom heet de film dan Scarface? Scarface was Capones bijnaam. Hecht verzon een ingewikkelde smoes en de mannen gingen gerustgesteld weg.

Het kan ook minder dreigend. Toen Francis Ford Coppola voor The Godfather de scène opnam waarin Don Corleone (Marlon Brando) wordt neergeschoten op de markt, zaten achter de camera twee echte maffiosi commentaar te leveren. Brando vonden ze er veel te shabby uitzien om te overtuigen als Don – waarom had-ie geen diamanten op zijn ceintuur? En zag je die moordenaars? „Ze houden hun pistolen vast als een bos bloemen!”

Zie ook: interviews met Rutger Hauer en Maarten Treurniet op pagina 6