Waar bemoeit u zich mee?

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: is het integratiebeleid geslaagd of wennen we aan elkaar?

Met open mond luisterden Ali B. en zijn maatje Kempi bij Corry Konings thuis naar haar hit Huilen is voor jou te laat. Terwijl de oer-Hollandse smartlap door de woonkamer galmde, raakte het tweetal bevangen door de boodschap: het leven is een drama.

Het nummer, geschreven door Pierre Kartner, stond in 1970 liefst 41 weken in de Top-40. „Terwijl een jaar maar 56 weken heeft of zoiets”, lichtte Kempi (25) toe. Respect, man.

Het was een fragment uit het televisieprogramma Op volle toeren, waarin dit duo van Marokkaanse en Antilliaanse afkomst artiesten bezoekt om hun klassiekers op een nieuwe manier te vertolken. Het commentaar van Ali B. (29) op de ontmoeting met Corry Konings (60) was trefzeker: „Er ontstaat iets tussen twee totaal verschillende werelden. Het is hartstikke mooi om ze dichter bij elkaar te zien komen. Dat ontroert gewoon.”

En bijna op datzelfde moment nam de Marokkaans-Nederlandse acteur Nasrdin Dchar een Gouden Kalf in ontvangst met zijn daverende, inmiddels veelbesproken toespraak („Ik ben een Nederlander. Ik ben een moslim. En ik heb een fokking Gouden Kalf in mijn handen!”). De acteur en zijn ontroerde ouders raakten een snaar bij de tv-kijkers.

Volgens de filosoof Hegel vertoont de geschiedenis een opwaartse, dialectische beweging. Uit het Griekse humanisme en het joodse monotheïsme ontstond volgens hem bijvoorbeeld de synthese van het christendom, waarin God eerst mens wordt en later terugkeert als geest. Abstract gesproken: een begrip (‘zijn’) roept zijn tegendeel op (‘niet-zijn’) en samen vormen ze een nieuw begrip op een hoger niveau (‘worden’).

Hegel sprak van die Vernunft in der Geschichte, de listigheid waarmee de Rede zichzelf via botsende begrippen tot een steeds hoger niveau opstuwt.

Zouden we in Nederland ook zoiets kennen, in het integratiedebat? Of laat de Vernunft het hier afweten?

Er zijn aanwijzingen dat veel Nederlanders het tien jaar lange, aanhoudende somberen over integratie zo langzamerhand beu zijn. Het NOS Journaal berichtte onlangs dat het onderwerp integratie was verdwenen uit de top-5 van maatschappelijke zorgen. Op nummer één stond ‘normen en waarden’, maar integratie had zijn plaats in de rangorde van kopzorgen moeten afstaan aan een keiharde nieuwkomer: ‘gezondheidszorg en ouderenzorg’.

Minister Leers sprak in een onbewaakt moment alweer van migratie als een ‘verrijking’ van de samenleving (arrrggh!!), een uitspraak die hem uiteraard op boos gesis van politici van zijn gedoogpartner kwam te staan, maar die verder eigenlijk nauwelijks voor opschudding zorgde. Hij hoefde nog niet af te treden.

Kort daarvoor had Paul Scheffer, een prominente aanjager van het integratiedebat, in een ontspannen interview in Het Parool ook al gesuggereerd dat het wel goed kwam. De term ‘allochtoon’ kon wat hem betrof in Amsterdam bij het grof vuil (een idee dat in maart 2004 al werd geopperd door de gemeenteraad van Den Haag). Er is namelijk volop vooruitgang, al zijn er ook, stelde hij evenwichtig vast, ‘moeilijkheden’. Laten we nu eens het positieve benadrukken, aldus de auteur van Het multiculturele drama (2000). „Nu zou ik willen stellen dat er veel dingen goed gaan die niet worden opgemerkt”, zei hij stellig. Want: „Wij leren hier wel met elkaar te leven dwars door alle vooroordelen heen.”

Wat krijgen we nu?

Door critici van de multiculturele samenleving zou die relaxte houding van Scheffer tien jaar geleden zijn afgedaan als een laffe vorm van wegkijken. Vermoedelijk ook door Scheffer zelf, die acht jaar na zijn drama in het boek Het land van aankomst (2008) al een optimistischer toon probeerde te zoeken, maar zich bleef afzetten tegen de ‘cultuur van vermijding’, ook te vinden onder sociale wetenschappers en migratiedeskundigen.

Er gaat heus heel veel goed, probeerden die jaren geleden al voorzichtig door de drumsolo’s van de opinieleiders heen te fluiten – tevergeefs. Eerst moeten we maar eens de feiten onder ogen zien! Maar nu schoof Scheffer zelf op naar de deskundigen die hij destijds hekelde.

Wat is er dan veranderd? Zijn de problemen opeens verdwenen, louter door ze tien jaar lang te benoemen (probleem! probleem! probleem!)? Dat zou van publicisten als Scheffer grotere kunstenaars maken dan Hans Klok. Voeren allochtonen inmiddels niet langer ‘alle verkeerde lijstjes’ aan, waar jarenlang zo op is gehamerd? Is Marokkaans ‘straatterrorisme’ opeens gewoon een stadsverschijnsel?

De cijfers zijn nog steeds niet alom geweldig, al zijn ze wel bemoedigend. Het onderwijspeil onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders is bijvoorbeeld spectaculair gestegen. Afgezien van een criminele minderheid, heeft de tweede generatie Marokkanen een enorme slag gemaakt, zeker vergeleken met hun ouders die nog onderaan de scholingsladder stonden en de taal niet machtig waren. Onmiskenbaar begint zich onder hen ook een middenklasse te vormen: Nasrdin Char is er een voorbeeld van, maar denk ook aan creatieve ondernemers als Hoda Hamdaoui. Er zit echt vooruitgang in de integratie.

Alleen, dat was in 2004 ook al zo, toen een commissie van de Tweede Kamer onder leiding van VVD’er Stef Blok een rapport publiceerde over de staat van de integratie. Ook daaruit bleek al dat er wel problemen waren en er ook veel schortte aan het integratiebeleid, maar dat er desondanks door de immigranten zelf aanzienlijke vooruitgang was geboekt. In opleiding, inkomen en werk.

Die onderzoekscommissie had zeven jaar geleden al volop oog voor de vele dingen die ook goed gaan, maar ‘niet worden opgemerkt’, zoals Scheffer wat parmantig zegt in Het Parool.

De belangrijkste conclusie uit dat 2.400 pagina’s tellende rapport was dat de integratie van veel allochtonen ‘geheel of gedeeltelijk’ was geslaagd. Niet dankzij, maar eerder ondanks het overheidsbeleid. De woonomstandigheden van allochtonen waren sterk verbeterd, al dreigden ernstige problemen in de grote steden. Hun onderwijsprestaties waren flink vooruitgegaan, maar tegelijk was segregatie de scholen binnengeslopen. De positie van allochtone vrouwen op de arbeidsmarkt was verbeterd, maar het emancipatiebeleid heeft daar te weinig oog voor gehad.

Kortom, je zou al met al zeggen: een genuanceerd rapport. Bezorgd, maar niet alarmistisch. Optimistisch, maar niet wereldvreemd.

Bespreker Dick van Eijk ploegde zich door de vijf lijvige delen heen voor de boekenbijlage van deze krant. Hij concludeerde: „Er is inderdaad geen aanleiding te veronderstellen dat de integratie is mislukt.” Van Eijk had wel allerlei methodologische kritiek op het rapport, maar die conclusie stónd. Bovendien, hij had het tenminste van kaft tot kaft gelezen.

Dat kon je niet zeggen van de politici en publicisten die elkaar op de dag van de publicatie al voor de microfoons verdrongen om het rapport neer te sabelen. Hoezo gedeeltelijk gelukt? We waren het er toch over eens dat de integratie was mislukt?

De VVD noemde het rapport ‘ongelooflijk naïef’. Het Kamerlid Ayaan Hirsi Ali hekelde de commissie wegens ‘een gebrek aan realiteitszin’. Fractievoorzitter Verhagen van het CDA was teleurgesteld dat de commissie „nergens de conclusie lijkt te willen of durven trekken dat het integratiebeleid gefaald heeft”. Niet eerder werd een parlementair onderzoek zo slecht door het parlement ontvangen, stelde politiek redacteur René Moerland in deze krant vast.

Het rapport verdween dan ook in een diepe la, waar het sindsdien maar heel even uit is opgediept. Misschien een beetje geschrokken van de eigen agressie beloonde de Tweede Kamer de commissie in april 2004 alsnog met een ‘motie van waardering’.

En Paul Scheffer? Die schreef, in diezelfde maand, een grimmig, negatief stuk over het rapport onder de kop Het verlangen naar stadsmuren in een wereldhaven (Opinie, 3 april 2004)? Hij miste een ‘nuchtere diagnose’, noemde het rapport ‘niet goed onderbouwd’ en ‘niet veel meer dan een sympathieke slag in de lucht’. Hij verweet de commissie dat die zich te veel had geconcentreerd op klassieke ‘achterstandproblematiek’ en te weinig oog had gehad voor ‘de normatieve kant van integratie’. Hij miste vooral de culturele kant van de zaak. Daar ging het niet goed mee.

Toch een heel ander geluid dan de Scheffer die in Het Parool nu een vrolijke anekdote opdist over Marokkaanse meisjes met hoofddoek die de imam een grote mond geven: „Op de eerste rij zaten vier meisjes, keurig met hoofddoek. Eén van hen stak haar vinger op en zei: over zes maanden studeer ik af in de rechten. Ik heb al een toezegging voor een baan. Over een half jaar ben ik advocaat en u zegt mij dat ik niet alleen naar de film mag? Waar bemoeit u zich mee?”

Misschien had hij Een ander succes. De keuzes van Marokkaanse meisjes (2003) nog eens moeten (her)lezen, waarin acht jaar geleden zulke ambitie ook al schering en inslag was. Maar ja, dat was, zoals Scheffer in dat interview zegt, ‘zo’n andere tijd’.

Daar heeft hij ongetwijfeld gelijk in, de tijden veranderen. Maar waar vinden we de Vernunft in de historie?

Misschien hier. Nederland zit eindelijk aan zijn tax met het multiculturele drama en met de door politici en opiniemakers aangezwengelde obsessie met ‘cultuur’. Geen oplossing, geen synthese dus, maar gewoon uitputting. We moeten verder.

Geen wonder, want er is buiten een andere, kille wind opgestoken. Terwijl Nederland zich wiegde in het integratiedebat, klotste een andere, economische crisis tegen de kade.

Bovendien, hoe lang kun je niet met elkaar omgaan? De praktische wijsheid zal het toch moeten winnen van de gepolariseerde patstelling in de politiek en op de opiniepagina’s. Ook Scheffer en andere opinieleiders willen nu vooral een handreiking geven voorbij het nationale ‘drama’.

En ook dat is terug te vinden in het rapport van de commissie-Blok, dat zeven jaar na dato mag worden gerehabiliteerd. Het heette niet voor niets: Bruggen bouwen.

Ali B. en Corry Konings gaven alvast een mooi voorzetje.