Turkije kan het toch niet alleen af

De Turkse regering dacht eerst de aardbevingsramp wel zelf aan te kunnen. Maar gisteravond is besloten toch hulp te accepteren, onder andere van Israël.

Boven het geluid van graafmachines, betonsnijders, generatoren en ambulances klinken rond het middaguur ineens de luide stemmen van opgewonden mannen. De honderden toeschouwers die hier in Van in het oosten van Turkije al twee etmalen staan toe te kijken hoe reddingswerkers levenden en doden onder het puin vandaan halen, keren zich plotseling tegen de Turkse pers. Ze zijn hun leugens over de hulpverlening zat, scanderen ze. Die leugens over duizenden tenten en dekens. „Waar zijn die tenten, dan?”

Als een paar journalisten klappen krijgen, grijpt de politie in met traangas. Reddingswerkers stoppen met graven en grijpen naar hun keel en ogen. De machines staan stil. „Dit is godgeklaagd”, zegt reddingswerker Emraa Erbik en hij heft de handen ten hemel. „Willen ze nu dat we doorwerken of niet?”

Turkije kan deze ramp zelf wel aan, was de eerste reactie van de regering van premier Erdogan. Hulp uit het buitenland werd beleefd afgeslagen.

Vriend en vijand bood die hulp aan: Azerbajdzjan, Armenië, Griekenland, en bijna dwingend: de regering van Israël waarmee de diplomatieke ruzie de afgelopen maanden zo hoog opliep dat er zelfs met oorlogsschepen werd gedreigd.

Niet nodig, vond de Turkse regering. Tot gisteravond, toen het dodental van de beving met een kracht van 7.2 op de schaal van Richter tot boven de 450 was opgelopen. Israël mag nu eindelijk zijn dekens en prefab huizen sturen.

Aardbevingsdiplomatie bracht in de regio al eerder buurlanden tot elkaar. Toen in 1999 bijna 18.000 Turken hun leven verloren bij een krachtige beving ten zuiden van Istanbul, was Griekenland de eerste die te hulp schoot.

Hier in Van schudt het nog voortdurend. Tegen het vallen van het duister is de naschok zo zwaar, 5.4 op de schaal van Richter, dat gebouwen heen en weer zwaaien als bomen in de wind. De stroom valt uit. Van wordt aardedonker.

Dan komen berichten van rellen in de gevangenis van Van. Eerder ontsnapten hier honderden gevangenen door de scheuren in de muur. Veel gevangenen keerden na enkele uren weer terug naar de gevangenis nadat ze zich ervan hadden verzekerd dat al hun familieleden de ramp hadden overleefd.

Maar na de zware naschok verandert de aanvankelijke goede wil van de gevangenen in oproer. Gevangenen steken hun matrassen in brand, uit woede over het uitblijven van een verhuizing naar een andere, veiligere gevangenis. Tot laat in de avond zijn rookpluimen zichtbaar boven de gevangenis.

Tientallen kilometers verderop graven dorpelingen nog steeds in het puin. Het dorp Mollakasin bestaat niet meer. De modderstenen die al eeuwen worden gebruikt op het platteland bleken niet bestand tegen zo’n zware beving. Stallen en hoeves zijn verpulverd.

Ook hier klinken de stemmen van opgefokte mannen. Ze gaan met elkaar op de vuist als de tenten worden uitgedeeld. De gendarmerie moet er aan te pas komen om de mannen uit elkaar te halen.

Nesrin Karatekin staat er hoofdschuddend bij te kijken. Ze raakte alles kwijt. Een van haar knechten raakte bedolven onder de modderstenen, en stikte.

„Maar de regering heeft ons toch hulp gestuurd? We hebben toch tenten?”, zegt ze. Haar familie is al bezig zich voor te bereiden voor de komende koude nacht onder de tentzeilen van de Turkse Rode Halve Maan. Ze heeft boeren in het dorp verderop gezien die de tenten gebruiken om hun dieren warm te houden. Zo roekeloos wordt er met de hulp omgesprongen, weet ze. „Ze hebben geen recht om te klagen.”

Nesrin Karatekin was in de grote stad toen de aarde begon te schudden. Op bezoek bij haar familie die op de vijfde verdieping van een flatgebouw leeft. De stad is niet veilig, heeft ze altijd gezegd. In die hoge torenflats kom je niet meer weg op het moment dat de aarde begin te schudden.

„Iedereen wil naar de stad. De jongeren willen hier niet meer blijven. Ze willen studeren. We willen een goede baan. Maar ik blijf liever hier. Dit is ons thuisland.”