Sinds gisteren is hij ook profeet-af

Zodra hij wakker wordt, voelt hij een trekkende, zeurende pijn in zijn linkerarm. De reuma maakt het ontwaken pijnlijker – ochtendstijfheid, wordt het genoemd. Hij opent zijn ogen en kijkt naar de gordijnen. Zoals elke ochtend valt er zonlicht door de kier. Hij wendt zijn blik af – sinds 96 uur kan hij het niet

Zodra hij wakker wordt, voelt hij een trekkende, zeurende pijn in zijn linkerarm. De reuma maakt het ontwaken pijnlijker – ochtendstijfheid, wordt het genoemd. Hij opent zijn ogen en kijkt naar de gordijnen. Zoals elke ochtend valt er zonlicht door de kier. Hij wendt zijn blik af – sinds 96 uur kan hij het niet meer opbrengen om naar het ochtendzonlicht te kijken.

Het was de vierde keer dat hij het moest meemaken. De vierde keer dat hij ’s ochtends ontwaakte en in één oogopslag zag wat er aan de hand was: de zon was opgekomen. Felle, warme zonnestralen piepten door de gordijnen heen, ze dansten op de houten vloer, uitdagend, tartend, alsof ze duidelijk wilden maken dat ze nooit zouden vertrekken. Dat de wereld van hen was.

21 mei 1988. 6 september 1994. 21 mei 2011. 21 oktober 2011.

Het was de vierde keer dat de aarde níet verging.

Na al zijn berekeningen, nadat hij zo zeker wist dat de Bijbel hem ditmaal de juiste datum had ingefluisterd – nou ja, ingefluisterd, dat was het nog niet eens, het stónd er gewoon, je had alleen de juiste blik nodig om het te zien.

En dan toch ’s ochtends die zon.

Het spektakel zou dit keer rustig verlopen. Voor 21 mei had hij bliksemschichten voorspeld, werd er gezegd dat de Rapture zich donderend zou voltrekken, dat Jezus op aarde terug zou komen waarna de overgebleven ongelovigen vijf maanden van vuur, zwavel en plagen zouden moeten doorstaan. Deze vrijdag zouden slechts de uitverkorenen in stilte naar de hemel verdwijnen.

Hij slaat zijn benen over de rand van zijn bed. De linkerhand op de deken ziet er knoestig uit, de vingers stram en vergroeid. Zijn ziel heeft het eeuwige leven, zijn negentigjarige lichaam begint te haperen.

Als hij naar de woonkamer loopt, laat hij de radio uit. Zijn Family Radio moet het doen zonder hem, al een week is hij president-af. Sinds gisteren is hij ook profeet-af. Ook de wereld gaat door zonder hem – zonder zijn voorspellingen, en zonder te eindigen.

Het ergste waren nog niet eens de families, die gezamenlijk hun huis verlieten om in een camper naar hem toe te rijden. Of alle weldoeners, die hun laatste geld hadden gedoneerd aan een wereldwijde campagne. Of de mensen die hun baan hadden opgezegd, omdat ze na de dag des oordeels immers nooit meer hoefden te werken in dat ene naargeestige eetcafé.

Nee.

Het ergste waren de ongelovigen, die iedere keer dat hij de apocalyps had voorspeld extra genoten van de dag die tóch kwam. Ze hadden natuurlijk nooit echt geloofd dat het zou gebeuren, o nee, maar toch floten ze, toch maakten ze grapjes, toch waren ze even een moment extra blij met hun wereld, met elkaar, met hun ongelovig zijn.

De wetenschap dat zíj die ochtendzon stralend verwelkomden.

Daarom stopt hij.

Hij gunt ze dat geluk niet meer.