'Maarten kan moeilijk loslaten'

Hoofdrolspeler Rutger Hauer en regisseur Maarten Treurniet streden flink met elkaar tijdens het maken van ‘De Heineken ontvoering’. „Dat hoort erbij. Zonder die spanning kan er niets ontstaan.”

WFA48T:PREMIERE DE HEINEKEN ONTVOERING:AMSTERDAM;17OCT2011-Premiere bij de RAI van de film De Heineken Ontvoering. Foto:Rutger Hauer in de hoofdrol als Freddy Heineken. WFA/jh/str.jim hoogendorp WFA JIM HOOGENDORP

32 jaar is het geleden, zegt Rutger Hauer, dat hij zo „met hart en ziel” in een Nederlandse film heeft gespeeld. „Dan heb ik het over Soldaat van Oranje. Daarna heb ik nog Spetters gedaan, maar dat was meer omdat Paul [Verhoeven, red.] graag wilde dat ik dat zou doen. Voor mij was dat toch een trucje.”

In de tussentijd had Hauer al wel met de gedachte gespeeld om weer een grote rol in een Nederlandse film te spelen, maar steeds kwam er iets tussen, en de filmprojecten die hij zelf van de grond probeerde te tillen strandden voortijdig. „Toen kwam De Heineken ontvoering voorbij en toen ging het ineens heel snel.”

De samenwerking met regisseur, tevens co-auteur van het scenario, Maarten Treurniet, verliep niet rimpelloos. Maar dat hoort bij film maken, vindt Hauer. „Een film maak je altijd onder hoogspanning. Uit spanning komen de beste dingen voort, en uit toeval. Zonder die spanning kan er niets ontstaan. Maarten wilde me graag hebben en hij wist ook dat ik de rol kon spelen. Maar hóé ik de rol precies zou invullen, daar hebben we flink strijd over geleverd. Dat is ook mijn verantwoordelijkheid als acteur. De regisseur is verantwoordelijk voor de film, maar ik ben verantwoordelijk voor de rol. Maarten zei dat hij graag naturalistisch, klein spel wilde, maar als hij dat dan zag, schrok hij er vaak van. De andere acteurs hadden daar minder moeite mee, maar zij hebben ook veel minder ervaring dan ik.”

Welke bezwaren had u aanvankelijk tegen het scenario?

„Het scenario zat in mijn ogen veel te dicht. Daar hebben schrijvers wel vaker last van: dat ze een scenario helemaal dicht stoppen. Dan is het mijn taak als acteur om er gaten in te boren, zodat er lucht bij komt. Dat was voor Maarten heel lastig, omdat hij ook de schrijver van het scenario is. Ik kan heel goed begrijpen dat hij er moeite mee had om dat los te laten. Maar iets schrijven en iets spelen zijn echt twee heel verschillende zaken. Ik ben tevreden over de film, maar voor mij had het nog wel iets losser gemogen.”

Kunt u dat toelichten aan de hand van een concrete scène?

„Nee, dat doe ik liever niet. Het publiek heeft daar in principe ook niets mee te maken. Alleen het resultaat telt.”

Hoe keek u aan tegen uw personage, Freddy Heineken?

„Als je een groots personage speelt, en dat is Heineken, dan moet je hem ook groots neerzetten. In eerdere versies van het script werd Heineken nogal klein gehouden. Hij sprak de hele tijd over geld. Dat vond ik kinderachtig, nogal oppervlakkig. Mijn ervaring is juist dat mensen die zoveel geld hebben als Heineken, daar helemaal nooit over spreken.”

Een flink deel van de film zit u in de cel, met alleen de muren als tegenspelers. Is dat moeilijk?

„Wat is moeilijk? Mensen die honger hebben, die hebben het moeilijk. Wat ik doe is niet makkelijk. Er zijn ook maar heel weinig mensen die het kunnen. Maar voor mij is dat niet moeilijk.”

U bént Heineken, terwijl u eigenlijk helemaal niet op hem lijkt.

„Ik heb wel obsessief gekeken naar hoe hij zich bewoog, en naar hoe hij sprak, altijd in heel korte zinnetjes. Maar daarna heb ik dat ook weer los moeten laten.”

Als Heineken uiteindelijk vrij komt, en jacht begint te maken op zijn ontvoerders, speelt u hem niet echt wraakzuchtig.

„Nee. Als je een beetje intelligent bent dan besef je dat wraak op zichzelf ook niet heel veel voorstelt. Maar het is zeker dat Heineken van de ontvoering voor de rest van zijn leven een tik heeft meegekregen, al weet natuurlijk niemand hoe dat precies voor hem was. De film beweegt zich tussen feit en fictie. Dat vind ik ook de beste aanpak.”

Maakte u zich zorgen over het kort geding tegen de film?

„Nee. Als ik me daar al zorgen over had moeten maken, dan is het einde echt zoek in Nederland.”

Peter de Bruijn