Hand met drie vingers

Vanaf morgen is De tijd zelf te koop, de onvoltooid gebleven novelle van Harry Mulisch. Marc van Biezen ontdekt in personages en boektitels een reden waarom dit krulstaartje aan Mulisch’ oeuvre (niet) moet verschijnen.

Op 30 oktober is Harry Mulisch al weer een jaar dood. Morgen verschijnt zijn onvoltooid gebleven novelle, De tijd zelf. Misschien dat zijn fans, bij wie ik mezelf reken, uitkijken naar het boek, maar de uitgave van het boek valt om meerdere redenen te betreuren. Het oeuvre van Mulisch was namelijk volmaakt afgerond zoals het was. Met de slotzin van zijn laatste roman Siegfried, „Daarna niets meer.” sloot de schrijver niet alleen de roman op typerende wijze af. Het boek zelf was daarmee ook de voltooiing van een oeuvre, dat Mulisch beschouwde als zijn tweede lichaam. Daar een half boek aan toevoegen is als het aannaaien van een hand met drie vingers.

De publicatie van de halve novelle miskent Harry Mulisch als schepper van mythes, als bespeler van taal en toeval, en bovenal als bouwer van een van de hechtst samenhangende oeuvres in de Nederlandse literatuur. Hoezeer Siegfried voor Mulisch een slotstuk was, zit verborgen in het belang van de lettercombinatie a en s in zijn werk. Dat is af te lezen aan de namen van sleutelfiguren in zijn werk: archibald strohalm (het debuut) en Anton Steenwijk (hoofdpersoon in De aanslag), maar zelfs aan namen van bestaande mensen, die hem op het idee gebracht kunnen hebben: zijn moeder heette Alice Schwarz, en nazi-architect Albert Speer (Mulisch publiceerde zijn interview met hem in De toekomst van gisteren).

Wie dieper graaft, stuit op nog veel meer a/s-verbindingen: Adolf en Siegfried (vader en zoon in Siegfried), Anton en Sandra (vader en dochter in De aanslag), Alfred en Sylvia (de twee geliefden van Laura in Twee vrouwen), Ada en Sophia (de twee geliefden van Max in De ontdekking van de hemel), filosoof Arthur Schopenhauer (Mulisch schreef diverse malen over hem), André Spoor (vriend van Mulisch en net als hij lid van de Herenclub), Arthur Seyss-Inquart (komt voor in De aanslag, Siegfried en Mijn getijdenboek), Alexander Schneiderhahn (karakter in Het stenen bruidsbed).

De eerste letters vormen samen steeds het woord as, zowel letterlijk als figuurlijk een terugkerend element in het werk van Mulisch: van alle as die rond dwarrelt in De aanslag tot zijn grote thema’s: de dood (van as tot as) en de Tweede Wereldoorlog (met nazi-Duitsland als één van de asmogendheden).

De belangrijkste a/s-verbinding smeedt het eerste en laatste boek van Mulisch aaneen: een oeuvre dat loopt van archibald strohalm tot Siegfried. Siegfried moet het laatste boek van Mulisch blijven, anders wordt de mythische samenhang van het werk doorbroken.

Anderzijds: Mulisch is zelf begonnen aan dat nieuwe boek. Wat was zijn plan? De man die zoveel hield van de achterliggende waarde van letters en van verbanden die onder de oppervlakte van de tekst konden worden aangelegd, had er vast een reden voor. Dat maakt dan wel weer nieuwsgierig naar De tijd zelf, dat wellicht kan functioneren als een fraai krulstaartje aan Mulisch’ tweede lichaam.

Ten slotte: dat de afscheidssamenkomst voorafgaand aan de begrafenis van Mulisch plaatsvond in de Amsterdamse Stadsschouwburg, was natuurlijk geen toeval.

Meer over Mulisch in de krant van donderdag en vrijdag.