Geen afgesloten delict

Argentijnse filmmakers bewijzen dat de jaren van de dictatuur en de verdwijningen nog altijd levend zijn. De cinema bloeit in Argentinië – dankzij die historische geheugentraining.

Tegen Jorge Zorreguieta, de vader van Máxima, is opnieuw een aanklacht ingediend wegens medeverantwoordelijkheid voor de verdwijningen van politieke tegenstanders onder de Argentijnse dictatuur. Nieuwe wetgeving maakt dat mogelijk. Verdwijning is daardoor niet langer een afgesloten delict. De zaak blijft open zolang de ontvoering niet is erkend of informatie wordt gegeven over het lot van de verdwenene, aldus Liesbeth Zegveld, de advocate van de nabestaanden die Zorreguieta opnieuw hebben aangegeven.

Dat de jaren van de dictatuur voor de Argentijnen nog niet tot het verleden behoren, bewijst de Argentijnse cinema de laatste jaren op overtuigende wijze. Het meest recente voorbeeld daarvan is de beklemmende film La mirada invisible (‘De onzichtbare blik’) van Diego Lerman, die nu in de bioscopen draait. Met de camera dicht op de huid van de hoofdpersoon, María Teresa Conejo, weergaloos gespeeld door Julieta Zylberberg, weet Lerman in kille kleuren de werkelijkheid op te roepen van een eliteschool in Buenos Aires aan het begin van de jaren tachtig. Buiten zwelt het verzet tegen de militaire junta aan; binnen de school heerst nog het schrikbewind van een meedogenloze discipline en het besef dat iedereen iedereen voortdurend in de gaten houdt.

Dat is niet de eerste Argentijnse film die indruk maakt met zijn scherpe analyse van de recente geschiedenis van het land. Twee jaar geleden liet Juan José Campanella in zijn film El secreto de sus ojos (‘Het geheim in hun ogen’) zien hoe straffeloos de acolieten van de militaire junta indertijd hun misdaden konden begaan – al schenkt hij de kijker aan het slot wel de genade van de poëtische gerechtigheid.

De al bijna tien jaar oude film Kamchatka van Marcelo Piñeyro riep de begindagen van de dictatuur op, waarin een linkse advocaat met zijn gezin op de vlucht moest om diep op het platteland aan vervolging te ontkomen. Net als het boek waarvan het de verfilming is, zien we alles door de ogen van het zoontje van het echtpaar. Wanneer hij ten slotte bij zijn grootvader wordt ondergebracht, ziet hij zijn ouders over de pampa wegrijden – om daarna nooit meer iets van hen te vernemen.

Eerder nog, al een paar jaar na het verdwijnen van de militaire dictatuur, had La historia oficial van Luis Puenzo de wonden opengekrabd van het grootste schandaal dat de junta had achtergelaten: de handel in baby’s en kinderen van ‘verdwenen’ ouders, ter beschikking gesteld aan regimegetrouwe kinderloze paren. Het zoeken naar hen is net zo min afgesloten. De vorig jaar uitgebrachte Duits-Argentijnse film Das Lied in mir bracht de bitterheid ervan opnieuw tot uitdrukking.

Wat al die films gemeen hebben is hun achterwaartse blik. Ze kijken over de schouder van de geschiedenis naar het verleden. In 1976 grepen de militairen de macht in een land dat verscheurd werd door stadsguerrilla en een machtsstrijd binnen de danig verlopen peronistische partij. Tienduizenden slachtoffers later maakte de verloren Falkland-oorlog een einde aan het regime, en kreeg de herstelde economie te maken met een almaar groter wordende economische chaos, die het land aan het eind van de jaren negentig onder de curatele van het IMF bracht.

Inmiddels weer in redelijk goede doen, begint het land zich nu rekenschap te geven van de wonden die toen geslagen zijn. Maar moet de cultuur, inclusief film, zich wel zo laten absorberen door het verleden, vroeg Robert McCrum, schrijver en adjunct-hoofdredacteur van The Observer, zich enkele weken geleden af in die krant af. Daarbij had hij niet de Argentijnse maar de Britse film en televisie voor ogen – maar de vraag is indringend genoeg.

Al dat terugkijken wordt heimelijk ingegeven door de melancholieke herinnering aan een groots verleden, aldus McCrum. Breed wordt dat in zijn eigen Verenigd Koninkrijk uitgemeten in films als Tinker Tailor Soldier Spy (‘koudeoorlogsnostalgie’) of de aangekondigde televisiereeks naar de roman Parade’s End van Ford Madox Ford (‘nostalgie naar de Eerste Wereldoorlog’). Zo voedt de cultuur zich alleen nog maar met haar eigen vroegere gestalten. Waarom, zo vraagt McCrum zich af, richt de kunst zich niet op het heden – of liever nog op de toekomst?

Dat is geen onzin en als McCrum zijn artikel met wat filosofische versiering had willen optuigen, had hij gemakkelijk Friedrich Nietzsche kunnen aanhalen. Al bijna anderhalve eeuw geleden waarschuwde die filosoof voor een ‘monumentale geschiedenis’ die voor het heden geen levenskracht meer overliet. Verpletterd door een verleden dat almaar grootsere en meer mythische proporties aannam, bleef er voor het nu geen andere mogelijkheid over dan te bestaan in een eindeloze herdenkingscultuur, aldus Nietzsche.

Maar de nieuwe aanklacht tegen Zorreguieta en de Argentijnse cinema van vandaag laten zien dat dat maar een deel van het verhaal is. De indrukwekkendste en meest succesvolle films van het afgelopen decennium grijpen allemaal terug op een traumatisch verleden dat pas verwerkt wordt doordat het wordt uitgebeeld en in verhalen opgeroepen.

Het ene terugkijken is dus het andere niet. Er bestaat inderdaad een pompeus soort geschiedenis dat je als een versiering aan de wand kunt hangen, naast de koekoeksklok of het huilende zigeunerinnetje. Daarover gaan films als Sissi. Die junge Kaiserin of – in Nederland – Soldaat van Oranje. Maar er is ook de traumatische historie die nog niet is afgesloten, want niet alles wat over het verleden gaat is vergane glorie. Er zijn geschiedenissen zonder welke het nu niet te begrijpen en er op de toekomst geen peil te trekken valt.

Niet elke hausse in de filmgeschiedenis dankt zijn bestaan aan een dergelijke historische geheugenoefening, maar vaak is dat wel zo. De Duitse cinema van de jaren zeventig is ondenkbaar zonder herdenking van de nationale schuld. De Spaanse film bloeide in de jaren tachtig op uit het overwonnen franquisme en is nog steeds doende met de verwerking van de Burgeroorlog. Iraanse cineasten zouden zonder islamitische revolutie en de nasleep daarvan bij lange niet de sprankeling hebben gehad die hen nu zo overtuigend maakt.

Ook de Argentijnse cinema is voor een belangrijk deel opgebloeid met deze behoefte aan herdenking en zelfonderzoek. Prettig en geruststellend is dat niet altijd. Zelfs de donkerste geschiedenis wordt uiteindelijk geschreven in grijstinten, en daarom is er ook in La mirada invisible geen onschuldige held of heldin. De surveillante María Teresa is de verpersoonlijking van het volk dat zich door zijn leiders laat begoochelen en maar al te gewillig het spel van repressie meespeelt. Te laat ontdekt zij het slachtoffer te zijn van eigen medeplichtigheid. Terwijl buiten de muren van de school generaal Galtieri de verovering van de Falkland-eilanden aankondigt en zich nog één keer door het volk massaal laat bejubelen, doodt María Teresa de superieur met wie zij een vaag-erotische relatie had en die haar ten slotte verkrachtte.