Eurocrisis of niet, de senaat beschouwt

Loek Hermans (VVD) voerde gisteren de meeste denkers op. Niemand minder dan Bernard Mandeville (1670-1733), John Stuart Mill (1806-1873), Isaiah Berlin (1909-1997) en, dichter bij huis, Johan Huizinga (1872-1945), Paul Schnabel (1948) en Bas Heijne (1960) hielpen de fractievoorzitter bij het prijzen van het kabinet. De Eerste Kamer hield gisteren haar eigen Algemene Beschouwingen. Ze besloot daarin haar eigen reflexieve stijl trouw te blijven, of er nu een eurocrisis is of een minderheidskabinet dat het land bestuurt. Dat betekende: hier en daar een bon mot, een mooi citaat, een speelse gedachte. Zelfs nieuwkomer Machiel de Graaf (PVV) voerde enkele overleden denkers op, als Niccolò Machiavelli (1469-1527) en Karl Popper (1902-1994). Niemand maakte het een ander of de premier moeilijk met een serie vooropgezette vragen.

Wel zorgde nieuwkomer De Graaf in zijn maidenspeech voor venijn in het debat. Hij klaagde het instituut aan waarin hij optrad door de vele bijbanen van de senatoren ter sprake te brengen. „Is dit een democratie of lobbycratie?”

Vooral „de burgemeestersvrouw uit Wassenaar” moest het ontgelden, PvdA’er Marleen Barth. Ze reageerde niet. Zij richtte al haar pijlen op het kabinet, dat ze „hardvochtig en zinloos” beleid verweet. Premier Mark Rutte (VVD) schrok er niet van.

Nergens van? Jawel. Rutte leek even van zijn stuk toen Niko Koffeman (PvdD) hem opriep tot „groen-rechts beleid”. Als het kabinet strijdt tegen zinloze subsidies, wil het zich dan niet committeren aan het afschaffen van alle milieubelastende subsidies? Nee, dat wilde Rutte niet. Teleurstellend, concludeerde Koffeman, maar ook onthullend: „Dus dit kabinet strijdt tegen alle zinloze subsidies, behalve als ze milieubelastend zijn.”

En toen wist Rutte het even niet meer. Maar het was laat, bijna middernacht. De eurocrisis riep.