ETA is uitgeraasd, de Basken nog lang niet

Terreurgroep ETA kondigde vorige week aan zichzelf op te heffen – ditmaal echt.

Voor Baskische nationalisten is dat een electorale opsteker.

„Als eerbetoon aan de slachtoffers moet dit schilderij naar onze stad komen”, zegt José María Gorroño stellig. De burgemeester van het Baskische stadje Guernica staat voor een kopie van Picasso’s gelijknamige meesterwerk, op ware schaal afgebeeld op een muur van tegeltjes. Om hem heen staan politici en een oude overlevende van het bombardement op Guernica, dat Picasso in 1937 inspireerde tot zijn wereldberoemde aanklacht tegen oorlog.

Baskische politici hebben de afgelopen jaren meermaals geëist dat het doek naar hun regio komt. Een eis die door het Madrileense Reina Sofia museum even vaak is afgewezen. Het fragiele doek zou zo’n verhuizing niet aankunnen. Maar de Basken geloven het niet. Zij zien in de weigering Spaanse politieke onwil.

Het maakt in een notendop duidelijk dat de gemoederen in Baskenland nog lang niet gesust zijn, ook niet nu ETA de handdoek in de ring heeft gegooid. Vorige week maakte de afscheidingsbeweging bekend de gewapende strijd te staken. Maar elk kamp in het Baskische conflict blijft zich vastklampen aan zijn eigen versie van de waarheid en van de geschiedenis.

Het regionationalisme in Baskenland (2 miljoen inwoners) is springlevend. In de heuvelachtige regio zijn vangrails, bergwanden en verkeersborden beklad met graffiti. Soms met leuzen tegen de hogesnelheidslijn die Baskenland met Madrid moet verbinden. Maar meestal met oproepen om Baskische gevangenen in Spaanse cellen beter te behandelen.

‘Baskische gevangenen naar Baskenland’. Die eis is de afgelopen jaren uitgegroeid tot de cause célèbre van nationalistisch Baskenland. Ruim zevenhonderd Basken die veroordeeld zijn voor betrokkenheid bij ETA-terrorisme zitten elders in Spanje hun straf uit. Volgens Madrid uit veiligheidsoverwegingen. Maar veel Basken zien het als een pesterij. Het ‘verspreidingsbeleid’ dwingt familieleden tot lange reizen voor bezoeken.

In het industriestadje Mondragón hangen twee nationalistische vlaggen in de etalage van een buurtsuper. Op de toonbank staat een collectebus van Etxerat, een organisatie van familieleden van ETA-gevangenen. „Dit zijn politieke gevangenen die soms alleen maar vanwege hun mening zijn vastgezet door de Spaanse staat”, stelt de winkeleigenaresse, die haar naam niet wil geven. Volgens de vrouw komt er pas echt vrede als de regering in Madrid met de Basken in gesprek gaat. „Dit is een politiek conflict, dat was het al onder Franco. Je kunt de geschiedenis niet uitwissen.”

De regering-Zapatero wilde altijd pas praten als ETA zich ophief en de wapens inleverde. Argwaan die was ingegeven door de ervaring dat de terreurgroep bestanden in het verleden altijd gebruikte om militair en organisatorisch aan te sterken. Om vervolgens toch steeds weer de wapens op te nemen. Dit keer lijkt de situatie anders. Door ferm optreden van politie en justitie is ETA sterk verzwakt. De groep hield sinds september 2010 al een bestand in acht en zou nog maar vijftig actieve leden tellen. Daarbij verspeelde ETA met haar onvoorspelbare gedrag zelfs bij veel radicaal-nationalistische Basken haar laatste beetje geloofwaardigheid.

Door de strijd nu te staken, zou de terreurgroep het beste resultaat uit de huidige zwakte proberen te halen. Niet alleen wil ze in gesprek met Madrid – het liefst met buitenlandse bemiddelaars aan tafel, ook dient het communiqué van donderdag als electorale steun in de rug van izquierda abertzale, de legale, politieke geestverwanten van de ETA.

Met partijencoalitie Bildu haalde die in mei een kwart van de Baskische stemmen bij gemeenteraadsverkiezingen. Kiezers beloonden de nationalisten daarmee voor de druk die ze uitoefenden op ETA om de strijd te staken. Op 20 november doet Bildu, nu onder de naam Amaiur, waarschijnlijk mee aan de landelijke parlementsverkiezingen. Doel: een rol krijgen in de nationale politiek.

Naast hun bekende (maar kansloze) eis om een referendum over zelfbeschikking, willen de radicaal-nationalisten ook meer aandacht voor hun ‘slachtoffers’. Doden die in Baskenland vielen tijdens de Franco-dictatuur en in de jaren tachtig, toen een paramilitair doodseskader (GAL) veronderstelde ETA-leden liquideerde.

Sociologe Izaskún Sáez wijst het idee dat er zoiets bestaat als gedeeld slachtofferschap ferm af, vertelt ze in haar kantoor in Bilbao. „Iemand die vanwege betrokkenheid bij terreur vastzit in de cel mag nooit gelijkgesteld worden met een slachtoffer van ETA-geweld”, zegt ze. „Het is typerend voor de slachtofferrol waarin de daders zichzelf al zolang wentelen. Een rol die ze blijkbaar nodig hebben om hun strijd te rechtvaardigen.”