De illegaal wil terug, maar het lukt niet

Ga terug naar je eigen land, wordt tegen illegalen gezegd. Een Beniner en een Guineeër willen terug en gaan op jacht naar een paspoort. Dat moeten ze in hun eigen land halen. Daar komen ze niet in. Ze hebben namelijk geen paspoort.

Photo: Dirk-Jan Visser / Brussel / Belgium: 24-10-2011: Dirk-Jan Visser

De marmeren hal van de ambassade van Benin in Brussel is kaal en leeg. Een kleine zwarte man in een te groot bruin pak op glimmende zwarte schoenen komt met snelle passen aan. Het is Denis Avimadjessi, de consul. Ali Isiaki (25) legt uit wat hij komt doen. Hij wil papieren die bewijzen dat hij afkomstig is uit Benin zodat hij terug kan naar zijn land.

De man trekt een bezorgd gezicht, troont Ali en zijn vriend Amadu Diallo (25) mee een gang door naar een kantoortje met enkel een bureau en een paar stoelen. Laat me je papieren zien, zegt hij tegen Ali. Ali haalt een map uit zijn versleten All Star-tas en toont Avimadjessi een brief van zijn eigen ambassade: zonder geboortebewijs of andere papieren kunnen we je niet als inwoner van Benin accepteren, staat er in het Frans.

Maar spreken ze niet dezelfde taal? De consul kan toch horen dat Ali uit Benin komt? De man zucht vermoeid. „Een taal is geen paspoort”, zegt hij. De taal die hij spreekt, zegt hij over Ali, spreken ze in verschillende Afrikaanse landen. In Guinee, Liberia, Ivoorkust. Wat zegt dat nou? Ali moet zelf in Benin maar een geboortebewijs gaan halen. Hoe dat moet als Ali het land niet in mag, weet hij ook niet. En wil het bezoek hem nu excuseren? Hij moet dringend naar een vergadering. En weg is de consul.

Ali is illegaal in Nederland. Evenals zijn vriend Amadu uit Guinee. Net als veel ex-alleenstaande minderjarige vreemdelingen waren ze een aantal jaren legaal. Vanaf het moment dat ze als vijftienjarigen met hulp van mensensmokkelaars in Nederland aankwamen tot het moment dat ze achttien jaar werden. Drie jaar lang gingen ze naar school, leerden Nederlands, konden sporten en uitgaan. Op hun achttiende was dat afgelopen. Hun asielverzoek was afgewezen. Ze moesten terug. Maar hoe?

Ali zit verbluft op de stoel en staart naar de lege stoel van de consul. Het is de vijfde keer dat hij de ambassade bezoekt in een poging papieren te bemachtigen. Steeds hoorde hij: ‘Sorry, wij kunnen je niet helpen. Goeie reis terug naar Nederland.’

Onderweg naar de ambassade van Guinee waar Amadu hetzelfde gaat proberen, vertelt Ali hoe hij opgroeide in een klein dorp in het noordelijke deel van Benin. Aanvankelijk was er niets aan de hand. Tot er problemen ontstonden tussen verschillende stammen. Zijn ouders behoorden tot een andere stam dan de meeste dorpelingen. Zij wilden het land van zijn vader hebben. Zijn vader wilde het niet afstaan. Het huis werd in brand gestoken, zijn ouders en oudste broer werden vermoord, vertelt hij. Ali vluchtte met hulp van een vriend van zijn vader die hem naar de hoofdstad liet reizen en een plek op een schip naar Europa regelde. Het verhaal van Amadu lijkt in grote lijnen op dat van Ali.

Ali en Amadu ontmoetten elkaar in Nederland toen ze tegelijkertijd een asielverzoek indienden. Sindsdien zijn ze samen. Eerst in Eindhoven, waar ze Nederlands leerden en op een ROC zaten. Daarna in Rotterdam waar ze ook nog even naar school konden. Ze bouwden als jongens zonder ouders of familie samen een leven op. Ze zien elkaar als broers.

Toen op hun achttiende bleek dat ze geen verblijfspapieren zouden krijgen, wilden ze toch in Nederland blijven. „Wat heb ik in Afrika te zoeken”, vraag Ali. „Ik heb er niemand”, zegt Amadu. Zijn ouders zijn allebei dood, vertelt hij. Aanvankelijk geloofden ze in een goeie afloop. Ze zijn gezond, sterk, spreken Nederlands en Frans. Ze weten alles, ze hoeven niet in te burgeren. Ze moesten even geduld hebben, dan zou het goed komen met die verblijfspapieren.

Het kwam niet goed. En met de maanden, verstreken jaren. Illegaal leven in Nederland, weten ze inmiddels, is misère. Het is overleven aan de rafelranden van de samenleving. „We bestaan niet”, zegt Ali. Ze hebben geen geld, moeten vrienden smeken om een slaapplek, ze halen wekelijks een doos met eten bij de voedselbank. Het allerliefst willen ze werken, het maakt ze niet uit wat ze moeten doen. Maar de boetes op het in dienst nemen van illegale arbeiders zijn zo hoog dat maar weinigen het doen. Af en toe doen de twee een klusje: ze schilderen een huis, zorgen voor een tuin. Maar meestal gaapt na het wakker worden de leegte. „Je wordt er gek van in je hoofd”, zegt Amadu.

Een jaar geleden besloten ze in godsnaam dan maar terug te gaan naar hun geboorteland. Maar hoe? Hun pogingen om papieren te krijgen voor de terugreis naar hun geboortelanden, mislukten telkens. Ali reisde vijf keer naar de ambassade in Brussel, Amadu twee keer.

We staan voor de deur van de ambassade van Guinee. Door het raampje zien we mensen lopen. Na vijf keer bellen doet iemand open. De wachtkamer zit vol mannen, vrouwen, kinderen. Een peuter loopt rond en slaat liefkozend zijn armen om het been van elke nieuwe bezoeker. Een baby krijgt de fles.

Een grote zwarte man loopt de wachtkamer binnen. Hij bekijkt het bezoek en vraagt Ali wat hij komt doen. Met zichtbare tegenzin neemt hij ons mee naar een kaal kantoortje met een versleten tweezits bankje, een paar stoelen en een bureau met een slordige stapel papieren. Foto’s maken is verboden, zegt hij meteen tegen de fotograaf. Wat willen we? Het antwoord op het verzoek om identiteitspapieren is hetzelfde als op de ambassade van Benin: zonder geboorteakte geen papieren.

Is er niets wat hij kan doen? Amadu vraagt het bijna smekend. Kan de man een brief schrijven met de mededeling dat Amadu is langs geweest? Dan kan hij in Nederland bewijzen dat hij in elk geval zijn best doet om aan papieren te komen. De man heeft nu geen tijd om brieven te schrijven, maar belooft hem iets thuis te sturen. Binnen vijf minuten staan we weer op straat.

In de trein terug vertelt Ali over het leven in het dorp. ’s Morgens een uur koranschool. Daarna hielp hij zijn ouders met het werk op het land. Na het avondeten ging hij nogmaals twee uur naar koranschool. Hij leerde de Koran uit het hoofd, aan uitleg werd niet gedaan. Rekenen en geschiedenis leerde hij er niet.

Het leven was simpel maar niet slecht, zegt hij. „We aten wat we zelf verbouwden, de rest verkochten we op de markt. Af en toe schoot iemand een konijn, dat aten we op. Het dorp was mijn wereld. Dat er meer was, wist ik niet.”