Science Park

Station Science Park. Talloze malen was ik er al langs gekomen, in de trein naar Almere of Hilversum, nooit was ik er uitgestapt. Het ligt in het oosten van Amsterdam en bevindt zich tussen station Muiderpoort en station Diemen.

Science Park. Intrigerende naam die de titel van een spannende speelfilm zou kunnen zijn. Ik besluit er op deze zonnige herfstmaandag een kijkje te nemen. Ik ben dan wel een alfamannetje, maar daarom hoef ik nog niet onverschillig te staan tegenover de bètawetenschappen. Want daarover gaat het op Science Park Amsterdam, het is een wetenschapspark van 70 hectare (98 voetbalvelden) dat op het gebied van natuurwetenschappelijk onderzoek een toonaangevende reputatie in Europa wil krijgen.

Ik ga altijd zoveel mogelijk op stap als burger, niet als journalist die zich door voorlichters laat gidsen. Hoe voelt die burger zich op Science Park? Volstrekt verloren. Er staat bij de ingang geen plattegrond, duidelijke verwijzingen naar en beschrijvingen van de jonge gebouwen ontbreken en nergens is iets te vinden over de geschiedenis van het terrein. Toch is daar veel gebouwd „van onze belastingcenten”, kanker ik binnensmonds, terwijl ik bij wijze van troost plaatsneem in café-restaurant Polder, een loodsachtig gebouw.

Op de wc zie ik dat bètastudenten zeker zo graag op muren krassen als alfastudenten. Ik noteer dit versje: Here I sat/ broken hearted/ Tried to shit/ But only farted. Je kunt zien dat het Engels van onze studenten met sprongen vooruitgaat. Op mijn wandeling kom ik tot deze vrije vertaling: Hier zat ik te schreien/ als een klein kind/ ik probeerde te schijten/ maar liet alleen een wind.

Ik loop langs en tussen het handvol grote gebouwen waar ‘het’ allemaal gebeurt, zoals onderwijs en onderzoek in het faculteitsgebouw voor Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de Universiteit van Amsterdam. Prachtig, modern gebouw. Gezien de volle fietsenrekken moeten zich honderden mensen in het gebouw bevinden, maar in de foyer is het rustig.

In andere gebouwen kom je niet verder dan de balie. „Het geeft niet”, zeg ik tegen een baliemedewerker, „ik begrijp toch niet wat hier gebeurt.”

„Ik ook niet”, lacht ze.

Bij het Nikhef, nationaal instituut voor subatomaire fysica, doen ze iets voor de deeltjesversneller bij CERN in Genève. Het staat niet op de deur, wel op de website. Vóór die deur staat een groot, roodkoperen apparaat, maar er wordt niet vermeld wat het is.

De landschapsarchitecten die het park hebben ingericht, streefden tussen de gebouwen naar een ‘kauwgomstructuur’: de openbare ruimte moest lijken op een uitgerekte kauwgom. Maar waar ik ook kijk: geen kauwgom. Wel een opmerkelijk Japans heertje in een rood jack dat roerloos op het gras zijn gezicht naar de zon heft.

Zo blijft hij minutenlang staan. Vanaf een hoge trap op hem neerkijkend, vraag ik me opeens af of ik hier belazerd word: is het misschien een pop? Ik loop door, maar keer tien minuten later nieuwsgierig terug. Hij staat nog steeds in dezelfde houding, maar werpt nu opeens een blik op zijn mobieltje. Hij leeft!

Gerustgesteld ga ik naar een gebouw waar met grote letters ‘Universum’ op staat. Op de begane grond is een café, Oerknal geheten. „Waarom Oerknal?” vraag ik de barkeeper. „Omdat het op dit terrein allemaal met dit gebouw begon”, zegt hij.

Zo kom je toch nog heel wat te weten, als gewone sterveling op Science Park.