Rebellen nemen wraak op Sirte

Ex-rebellen uit Misrata hebben in Sirte, de geboorteplaats van Gaddafi, wraak genomen. Tientallen mensen zijn geëxecuteerd, en de stad is grondig verwoest .

Libyans load their belongings into a car in a destroyed street in Sirte on October 24, 2011. Libya's new leaders began the tough task of forging an interim government uniting the nation's disparate political forces after 42 years of Moamer Kadhafi's iron-fisted rule, promising a system of Islamic sharia law. AFP PHOTO/PHILIPPE DESMAZES AFP

Het is niet moeilijk te raden wat er achter het Mahari-hotel in de Libische stad Sirte is gebeurd. De lijken liggen over de hele lengte van het gazon aan het strand. Sommigen dragen ziekenhuisverbanden, anderen hebben hun handen op de rug gebonden. Allemaal zijn ze doodgeschoten, een dag of vier geleden afgaande op de staat van ontbinding.

Het kan bijna niet anders dan dat ze zijn geëxecuteerd. „De lijken liggen allemaal op een rij en er zijn geen aanwijzingen dat hier een vuurgevecht heeft plaatsgevonden”, zegt Peter Bouckaert van de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch. „Als dit bevestigd wordt, is het zonder twijfel het ergste wat we al gezien hebben van de kant van de rebellen.”

Over de daders bestaat weinig twijfel: ze hebben hun visitekaartje achtergelaten. De muren staan vol met graffiti van de Tijgerbrigade uit Misrata. Het is een feit dat het Mahari-hotel, aan de rand van Sirte, al begin oktober in handen viel van de Tijgerbrigade, en ook dat tijdens de gevechten rond het hotel twee leiders van de Tijgerbrigade sneuvelden.

Minder duidelijk is wie de doden zijn. Volgens Faraj al-Hamali (43), die in het hotel werkte, lagen er zeker tachtig lijken en zijn het vooral pro-Gaddafi-burgers uit Sirte. Journalisten die donderdag in Sirte waren zagen hoe rebellen mensen uit hun huizen sleurden.

Zondag telde Human Rights Watch 53 lijken in het hotel; gisteren waren vrijwilligers uit Sirte het laatste dozijn aan het verwijderen. In de lobby van het hotel vonden ze een man die was opgehangen aan een brandslang van de eerste verdieping. „De rebellen zijn erger dan Gaddafi”, zegt Faraj door zijn mondmasker. „Dit is de wraak van Misrata.”

Op de kapotgeschoten en onder water gelopen hoofdstraat van Sirte staat een jongeman met een rode hoodie. Hij heeft de pech dat zijn achternaam Gaddafi is. „Mijn broers en ik waren de laatsten die Sirte verlieten en we zijn als eersten teruggekomen”, zegt hij. „Waar moesten we anders naar toe? We zaten in tenten in de woestijn.”

Op de tweede dag kwam Gaddafi rebellen uit Misrata tegen. Die zijn makkelijk te herkennen omdat al hun voertuigen zwart zijn geschilderd. „Toen ik mijn naam zei hebben ze me hier in het water gegooid en afgeranseld. Ze hebben mij een dag vastgehouden tot een rebel uit Benghazi het voor mij opnam.”

Een groepje rebellen komt aanslenteren door de lege straat. Ze komen uit Ajdabiya en Brega in het oosten. Het is hun taak om de burgers van Sirte te beschermen, zeggen ze. „We hebben de collega’s uit Misrata gevraagd om wat zachter om te springen met de burgers. Maar Sirte wordt nu gecontroleerd door rebellen uit het oosten en uit Sirte zelf. Er zijn nog maar een paar eenheden uit Misrata. Het komt wel goed”, zegt Hathiya Ali Salin Jadren.

De 27-jarige Sadik Ahmed Mohammed, in een shirt met Miami erop, wil het best geloven. „Maar ‘s nachts komen die van Misrata terug. Ze rijden al schietend door de straten”, zegt hij op een straathoek in zijn verwoeste buurt.

Beetje bij beetje sijpelen de burgers terug. Maar de meeste komen alleen om wat huisraad te redden. „Er is geen water of elektriciteit maar vooral: er is geen veiligheid”, zegt Mohammed. „We zijn allemaal bang voor de rebellen van Misrata. De Nationale Overgangsraad moet hun met spoed de wapens afnemen.”

In een van de weinige min of meer intacte gebouwen in Sirte zitten Salah al-Baida en Adil Nasr achter een groot bureau. Baida en Nasr zijn de chef en de nummer twee van de Sirte-brigade, rebellen uit Gaddafi’s bolwerk. Eerst vertellen ze het gebruikelijke verhaal: „We zijn allemaal Libiërs nu.” De verwoesting is het gevolg van de gevechten, zeggen ze, en wat er in het hotel is gebeurd, dat weten ze niet. Dan, voorzichtig: „De rebellen uit Misrata hebben vreselijke dingen gedaan maar we nemen het hun niet kwalijk: zij hebben destijds erg geleden onder het beleg door Gaddafi’s troepen. Ze hebben hun vrouwen verkracht.”

Maar dan laat Nasr zich gaan. „Ik heb zelf maanden meegevochten in Misrata. Mijn broer in Sirte is gearresteerd omdat ze daar waren achtergekomen. We hebben niets meer van hem gehoord. En nu kunnen we niet eens onze families terugbrengen. De rebellen van Misrata hebben hele straten verwoest. Mijn eigen huis is verwoest. Dat was echt niet nodig.”

„Er zijn slechte rebellen, dieven. Ze hebben hier alles meegenomen, van de kleinste auto tot de vuilniswagens. We moeten helemaal van nul opnieuw beginnen. De verwoesting die u ziet is voor het grootste deel het werk van de rebellen uit Misrata.” Ze hebben het probleem besproken met de militaire raad van Misrata, zegt chef Baida, maar daar zeiden ze dat ze zelf geen controle hebben over de troepen.

In Misrata bevestigt Haj Othman Belhaj, een leider van een andere brigade, dat de Tijgerbrigade helemaal is losgegaan in Sirte. „Wij hebben ook huizen opgeblazen maar alleen als er een sluipschutter in zat. De Tijgerbrigade bliezen gewoon voor de lol huizen op.” Onze belangrijkste taak nu, zegt Belhaj, „is het beschermen van de burgerbevolking tegen dit soort wraaknemingen.”

„Met Gaddafi en zijn troepen mogen ze doen wat ze willen”, zegt Nasr in Sirte, „maar als de rebellen op dezelfde manier te keer gaan als Gaddafi’s soldaten, dan is de revolutie voor niets geweest.” De wereld moet weten wat hier gebeurt, zegt chef Baida. „De Nationale Overgangsraad en de internationale gemeenschap moeten nu iets doen voor Sirte.”

„We weten dat dit niet de bedoeling is van de nieuwe autoriteiten, maar het is duidelijk dat er eenheden zijn die geheel aan hun controle ontsnappen”, zegt Peter Bouckaert. „De rebellen van Misrata hebben eerder al beslist dat de zwarte inwoners van Tawargha niet mogen terugkeren. Dit is strijdig met de internationale verplichtingen van de Nationale Overgangsraad. De mensen van Sirte zijn boos. De NTC moet nu bewijzen dat deze oorlog ook voor hen is uitgevochten en dat dit niet het begin is van massale wraaknemingen.”