Met 55 per uur door wielerdiscotheek

Danny Stam is aan zijn elfde zesdaagsewinter begonnen. Zestien keer won hij de slijtageslag, na dit seizoen stopt hij ermee. „Uiteindelijk gaat het om wat er in het laatje zit.”

amsterdam baanwielrenner danny stam foto rien zilvold

Zesdaagserenners zijn doortrappers. Zo’n vierduizend rondjes had baanwielrenner Danny Stam gereden toen hij zaterdagnacht op de Zesdaagse van Amsterdam als vijfde eindigde. Dat is vierduizend keer bocht, rechtuit, bocht, rechtuit. Soms in minder dan 15 seconden en in meer dan 55 kilometer per uur. In zijn langste seizoen reed Stam veertien zesdaagsen in West-Europa: dat zijn zo’n 50.000 rondjes. En 50.000 keer bocht, rechtuit, bocht, rechtuit.

Voor de meest succesvolle Nederlandse zesdaagserenner van de afgelopen jaren lopen de rondjes inmiddels in elkaar over. Terwijl de 39-jarige Danny Stam op de massagetafel wordt gekneed voor de derde koersavond tijdens de Zesdaagse van Amsterdam, moet zijn neefje Yoeri Havik (20) hem helpen met de opsomming van zijn erelijst. Vorige week begon Stam in Amsterdam aan zijn elfde winter waarin hij zesdaagsen rijdt. Zestien keer was hij na zes dagen de beste, waarvan elf keer met zijn vaste partner Robert Slippens.

Danny Stam won in Amsterdam en in Rotterdam. „In Nederland rijden is altijd bijzonder”. In Berlijn. „Daar zit het publiek met een stopwatch op de tribune, allemaal wielerfans.” In Bremen ook, als onderdeel van een grote kermis. „Dan komen er af en toe wat mensen naar de renners kijken.” En in Gent. „Elke dag vijfduizend man, en maar één frietkraam en één biertap”, vertelt Stam, in de korte zinnen van een Zaankanter. Nog een paar zesdaagsen rijdt hij deze winter, dan stopt hij ermee. „Ik moest mezelf steeds vaker oppeppen om te gaan trainen. Dan is het mooi geweest.”

Een zesdaagse is topsport in een discotheek, zes avonden lang. Het publiek moet vermaakt worden, vertelt ook Stam. Op de wielerbaan in Sloten knipperen tijdens de zesdaagse de paars en oranje discolichten onophoudelijk, dreunt de muziek over het middenterrein en blinkt er een discobol van meer dan een meter doorsnee. Tegelijkertijd flitsen de renners onophoudelijk over de baan. Bij de aflossing geven ze elkaar een spectaculaire slinger om vooral geen snelheid te verliezen, om daarna weer de ene inhaalmanoeuvre na de andere te wagen.

Stam is al een beetje getekend door de slijtageslag. Na twee dagen koers heeft hij vermoeide en rode ogen, van de droge lucht in de sporthal waar langs de baan ook nog eens gefrituurd wordt. Amsterdam is de eerste zesdaagse van het seizoen, na een paar koersen herstellen coureurs helemaal niet meer. „Dan ben je moe, slijten je prestaties af. Ook de dingen waar je goed in bent”, zegt Stam. Het nachtbraken helpt ook niet. Rond twaalf uur ’s nachts zit de koersdag erop, maar voordat de adrenaline is weggeëbd is het drie uur. „Op de Zesdaagse van Bremen ligt het hotel naast de baan. Dan zie je de hele week geen daglicht.”

Het hoort er allemaal bij, vindt Stam. Het afzien ook. „Af en toe dacht ik wel eens: het zou voor mijn prestaties beter zijn om het even te laten lopen. Maar ik ben beroepsrenner. Uiteindelijk gaat het om wat er in het laatje zit.” En voor het laatje, zegt Stam, was het beter niets te laten lopen. „Dus ga je door, op de automatische piloot.”

In 1998 maakte Stam de overstap van de weg naar de baan. Hij reed bij de Rabo-beloften, maar een doorbraak bleef uit. Baanrenner Robert Slippens, op zoek naar een maat voor de koppelkoers, bood uitkomst. De piste was geen onbekend terrein voor Stam: zijn vader Cees werd in de jaren zeventig vier keer wereldkampioen op het onderdeel stayeren.

Stam en Slippens besloten zich op de Olympische Spelen van 2000. „Dat leek ons een mooie afsluiting van onze wielercarrière.” In Sydney werden ze destijds achtste.

Na de Spelen kregen de renners onverwachts een kans te blijven trappen toen ze in het zesdaagse-circuit verzeild raakten. „Dan ben je zo maar tien jaar verder”, grijnst Stam. Hoewel ze in de eerste paar zesdaagsen „op veertig ronden” achterstand werden gereden, bevielen de koersen wel. „We konden er een goede boterham mee verdienen, stonden elke avond in het middelpunt van de aandacht. En het is altijd droog”, lacht Stam.

Bovendien leerden de twee renners snel bij. De aflossingen liepen steeds beter, ze leerden hun krachten te verdelen over de week. De grote achterstanden werden topdrieklasseringen, en in de winter van 2002 wonnen ze hun eerste zesdaagse.

Stam en Slippens leverden ook hun bijdrage aan de opleving van de Nederlandse zesdaagsen, die eind jaren tachtig voor het laatst waren verreden. Organisator Frank Boelé blies de Zesdaagsen van Amsterdam en Rotterdam nieuw leven in en het succesvolle koppel Slippens-Stam bleek een publiekstrekker.

De twee renners werden ook goede vrienden. „Tweelingbroers”, zegt Stam. „Het haperde nooit.” Tussen 2001 en 2007 reisden ze ’s winters van zesdaagse naar zesdaagse. Elf keer waren ze de besten. „Ik kon aan zijn kop zien of ik wel of niet moest demarreren”, zegt Stam nu. „Dat kon zonder woorden, dat was het bijzondere.” De twee renners werden in 2004 en 2005 ook achtereenvolgens derde en tweede bij de wereldkampioenschappen baanwielrennen, op de koppelkoers.

Toen Robert Slippens na een zware val in 2008 moest stoppen, bleef Stam alleen over. Voortaan moest hij in zijn eentje naar Kopenhagen of Berlijn. „En dan zit je daar, in je eentje in een hotelkamer.” Op de baan wisselden zijn partners elkaar af. Hoewel Stam koersen bleef winnen, dacht hij bij elke nieuwe maat hetzelfde. „Wat ik met Robert had, dat krijg ik met niemand meer.”

Zonder Slippens werd koersen werk. En ook de leeftijd begon de laatste jaren mee te tellen. Trainen viel hem zwaarder. En als Stam gefietst had, werd hij wel eens wakker met vermoeide benen. „Dat had ik vroeger nooit.” Inmiddels weet de renner dat hij dit seizoen geen koers meer kan winnen. Dat valt hem zwaar. Maar aan de andere kant: hij rijdt nog goed mee, op zijn 39ste. „Ik kan op een acceptabel niveau afscheid nemen. Ik denk dat ik toch een taai lichaampje heb.”