In de ban van die Boere

De top van het Afrikaans Nationaal Congres (ANC) bestrijdt nog altijd spoken uit het verleden, ruim twintig jaar na de vrijlating van Nelson Mandela. Jeugdleider Julius Malema van het ANC zingt Shoot the Boer en bepleit nationalisering van de mijnbouw, terwijl de Zuid-Afrikaanse regering solidair is met despoten als Robert Mugabe en Moammar Gaddafi. De dalai lama, uitgenodigd door emeritus aartsbisschop Desmond Tutu om diens tachtigste verjaardag te vieren, kreeg geen visum van Zuid-Afrika. Tutu: „Onze regering is erger dan de apartheidsregering. Van die regering zou je zoiets verwachten.”

Een Chinese vingerwijzing was voldoende om het bezoek van de dalai lama te dwarsbomen. Tutu sprak president Zuma aan en raakte een gevoelige snaar. „We dachten een regering te hebben die gevoelig is voor de waarden van onze Grondwet. Meneer Zuma, u en uw regering vertegenwoordigen me niet. U vertegenwoordigt uw eigen belangen. We bidden voor de val van een regering die ons niet vertegenwoordigt. Mubarak had een grote meerderheid. Gaddafi ook. Kijk uit, ik waarschuw u.”

Uit Tutu’s woorden spreekt teleurstelling over het bewind van het ANC, na de hoge verwachtingen die volgden op de vrijlating van Mandela in 1990 en de eerste vrije verkiezingen van 1994. In Zuid-Afrika heeft de blanke politieke elite plaatsgemaakt voor een zwarte. Die is zeker niet minder corrupt dan de blanke. Corruptieschandalen zijn dagelijkse kost. De zelfbediening van de politieke elite is schaamteloos. Intussen blijven de krottenwijken aangroeien. De kloof tussen arm en rijk is groter dan in Brazilië. Vooral de welvaartskloof onder zwarte Zuid-Afrikanen explodeert. De economische groei bleef sinds de machtsovername door het ANC met gemiddeld 3,5 procent te laag om het groeiend arbeidsaanbod op te vangen. De werkloosheid schommelt rond de 30 procent. Het ANC is er nooit in geslaagd miljoenen zwarten reële economische vooruitgang te brengen. Het ANC is sterk in retoriek, maar zwak in resultaten. Naarmate de apartheidstijd steeds meer verleden tijd wordt, groeit de eigen verantwoordelijkheid.

Zuid-Afrika is eigenlijk een eenpartijstaat. Geen partij kan het ANC succesvol beconcurreren. Daarom is de partijcultuur van het ANC maatgevend. Deze bestaat uit een strijdcultus die meer mythe is dan werkelijkheid. Leiders spreken over de struggle, maar liggen al jaren in het vet van de macht. Het is dus niet verwonderlijk dat de oppositie tegen de ANC-top komt uit de linkervleugel van het ANC, die de struggle opnieuw uitvindt. Het is politieke romantiek, van het gevaarlijk soort.

Een voorbeeld is Julius Malema, de leider van de ANC-jeugdliga. Malema grijpt de welvaartskloof aan om nationalisatie van de mijnbouw en onteigening van landbouwgrond van blanke boeren te eisen. Zijn voorbeeld is president Mugabe van Zimbabwe. Malema bezocht hem in 2010. Het is een raadsel waar Malema’s heldenstatus vandaan komt. Zijn aandeel in de strijd tegen apartheid was marginaal. Toen Mandela vrijkwam, was hij acht jaar oud! Hij haalde zijn middelbareschooldiploma toen hij 21 was, met veel onvoldoendes. Niettemin woont Malema in Sandton, een rijke wijk van Johannesburg. Hij is steenrijk, dankzij politieke vriendendiensten bij overheidsbestedingen, hij laat een villa bouwen van 1,6 miljoen euro en hij rijdt in zijn Mercedes naar arme townships, om de revolutie te prediken.

Malema is een anti-apartheidsstrijder, terwijl de apartheid al geruime tijd is afgeschaft – een soort verzetsstrijder na de oorlog – en oogst succes, omdat hij de achilleshiel van het ANC raakt: onvoldoende economische vooruitzichten voor miljoenen havelozen.

Ook predikt hij revolutie buiten Zuid-Afrika. Volgens Malema is de regering van Botswana te vriendelijk voor het Westen. Daarom bepleit hij regime change. Botswana is nota bene een van de weinige succesvolle Afrikaanse landen. Malema radicaliseert een koers die ooit werd ingezet door president Mbeki. Het Zuid-Afrikaanse buitenlandbeleid is het laatste overblijfsel van het tiers-mondisme. Dit is een radicaal-linkse opvatting waarin de Derde Wereld wordt afgeschilderd als willoos slachtoffer van het kapitalistische Westen. In werkelijkheid is Afrika het slachtoffer van zijn eigen leiders en hun clans.

Zuid-Afrika is oorverdovend stil bij Mugabes plundering van Zimbabwe. Zuid-Afrika steunde Gaddafi, bijna tot de laatste snik. Het eiste nog een wapenstilstand toen Gaddafi op de vlucht sloeg. Vicepresident Motlanthe zei na de eerste bombardementen dat de NAVO moest worden veroordeeld wegens misdaden tegen de menselijkheid. Zuid-Afrika steunt het failliete Cuba en onthield zich van stemming bij een VN-resolutie die het geweld van de Syrische regering veroordeelde. Zuid-Afrika staat, kortom, aan de kant van de onderdrukker. Het ANC eiste ooit steun in zijn struggle, maar Zuid-Afrika torpedeert als democratie de struggle van andere volkeren.

Twintig jaar na dato hadden velen, net als Tutu, beter verwacht van de ‘Regenboognatie’. Zuid-Afrika werd niet de drijvende kracht van een Afrikaanse wedergeboorte, maar bleef mentaal de gevangene van zijn strijdcultus met zelfbeklag en antiwesterse retoriek. Vanuit het gehekelde Westen werd Zuid-Afrika gesteund met miljarden euro’s aan ontwikkelingsgelden, als teken van hoop. Het werd een investering in valse hoop.

    • Derk-Jan Eppink