Il Belpaese voelt zich vernederd

Italië geldt in de EU nu als grootste economisch risico. Italianen zien dat Berlusconi het land schade berokkent, maar apocalyptische taal is onverdiend, vinden ze.

Ongeloof, woede, gelatenheid en gekrenkte trots zijn de sentimenten die veel Italianen dezer dagen ervaren. Il Belpaese is in rouw, omdat het definitief voorbij lijkt met het goede leven.

De broekriem – van het onlangs door een innovatieve Italiaanse ondernemer gelanceerde merk ‘Bunga Bunga’ of niet – zal moeten worden aangehaald. En de vraag is of Italianen die houden van fare la bella figura (de schone schijn ophouden) dat kunnen en willen accepteren.

De rouw gaat dieper dan het afscheid van vergankelijke luxe. De waardigheid van de Italianen is in het geding. Op tv, op de radio, in de kranten, en op straat is de neergang van het land het gesprek van de dag. Het ‘made in Italy’, het design, de inventiviteit van de vijf miljoen kleine ondernemers, alles waar het land groot in is, blijkt onder druk van de globalisering, de crisis en de politieke stagnatie zijn waarde te verliezen.

Italië, de derde economie van de eurozone, lid van de G8, mede-oprichter van de Europese Gemeenschap, verliest zijn trots nu de Europese Unie het land zo goed als onder curatele heeft gesteld als grootste risicofactor in de eurozone. Italië het volgende Griekenland? Die nachtmerrie had geen Italiaan voorzien.

Dit weekeinde was de vernedering compleet. Het duo ‘Merkozy’ dreef de spot met de omstreden premier van de Italianen. Niet alleen met woorden, maar ook in hun lichaamstaal – wat in Italië nog veel harder aankomt.

Op de vraag of Berlusconi de hervormingen die de EU eist zou leveren, liet de Franse president Nicolas Sarkozy een pijnlijk lange stilte vallen om vervolgens de ogen ten hemel te slaan en bijna sarcastisch te lachen. Vervolgens keek hij bondskanselier Merkel met gespreide armen vragend aan en zei: ,,We hebben vertrouwen in het geheel van de Italiaanse autoriteiten…’’. ,,Ja’’, zei Merkel, ,,de regeringsleider van dit grote land is onze aanspreekpartner en we rekenen op hem.’’

De twee gaven Berlusconi onbedoeld een gevaarlijk wapen in handen: gekrenkte nationale trots als bindende factor. Gisteravond, voor een spoedoverleg van het kabinet over de Europese hervormingseisen, zette Berlusconi de joker meteen in. Hij maakte namens alle Italianen zijn schouders en ellebogen breed en liet een verklaring uitgaan: ,,Niemand is in de positie om partners de les voor te schrijven’’.

Hij riep politici, arbeiders en ondernemers op gezamenlijk de hervormingen te realiseren, waarvan iedereen weet dat ze nodig zijn.

Overtuigend klonk de oproep allerminst. Het was een voor Berlusconi typische poging om op een crisismoment de kaarten opnieuw te schudden. Hij appelleerde aan een gevoel dat breed wordt gedeeld in Italië. Sarkozy en Merkel zijn te ver gegaan. Zelfs de centrum-linkse oud-premier en oud-voorzitter van de Europese Commissie Romano Prodi zei: ,,Ik voel me geïrriteerd en ook ten onrechte vernederd.’’

Een vriend van me verwoordde het zo: ,,Van Berlusconi weten we dat hij krankzinnig is, maar van Sarkozy hoopten we dat hij dat niet was. Het is nu in Europa niet de tijd om de spot te drijven met mensen of volkeren.’’

Natuurlijk, al jaren schaamt een groot deel van de Italianen zich voor de strapatsen van Berlusconi op het internationale toneel. Zijn omgang met Noemi’s, Ruby’s en Nicolle’s in zijn sekskelder; zijn vermeende opmerkingen over Merkel die het niet waardig zou zijn om van achteren te worden genomen. De manier waarop hij tijdens een eurotop als een geile bok tegen een politieagente stond aan te rijden, terwijl zij gebogen over een auto een bekeuring uitschreef.

Ook de Italianen erkennen dat hun land hard toe is aan hervormingen van het trage justitieapparaat, de vastgedraaide arbeidsmarkt die jongeren geen kans biedt, het oneerlijke pensioenstelsel, de gebrekkige belastingheffing, de verstikkende bureaucratie en de corrupte politieke klasse die alleen met haar eigen belang bezig lijkt te zijn.

Maar de wijze waarop nu vanuit onder meer Duitsland, Frankrijk, Nederland wordt gedaan alsof Italië het grote gevaar voor Europa is, wordt als een goedkope truc ervaren. Waarom is het land nu ineens zo’n risico, terwijl de staatschuld al meer dan een decennium relatief de op twee na grootste ter wereld is? Waarom nu zulke apocalyptische taal?

Italianen voelen zich beledigd als hun land over een kam wordt geschoren met Griekenland, dat loog over zijn begrotingscijfers en aan de basis van de crisis staat. Ze hebben het gevoel slachtoffer te zijn van het trage Europese ingrijpen in Griekenland, waardoor andere landen konden worden besmet.

De Italianen denken ook dat Europese politici met kritiek op Italië hun eigen straatje willen schoonvegen. Franse en Duitse banken zijn inproblemen geraakt door de Griekse crisis – en niet de Italiaanse. Alarm slaan omdat Italië zijn schulden straks niet meer kan betalen doet de rente op Italiaanse schuldpapieren stijgen en de Duitse rente dalen. Italy bashing loont.

De verantwoordelijkheid van Italië, zo erkent menig Italiaan tegelijkertijd, is dat de regering-Berlusconi de afgelopen drie maanden heeft aangetoond dat ze niet in staat is om effectief te reageren op de crisis. De Europese druk op Berlusconi vormt een steun in de rug van de groeiende coalitie die zich realiseert dat deze premier Italië geld kost. Niet alleen de oppositie en de vakbonden, maar ook de werkgevers en de Kerk vragen elke dag weer om zijn aftreden.

Vandaag moet il cavaliere (‘de ridder’) met een plan komen. Zonder een geloofwaardig hervormingspakket kan hij morgen niet terugkeren in Brussel. Voor het eerst sinds jaren blijkt coalitiepartner Umberto Bossi hem niet zomaar te volgen.

Maar veel Italianen geloven niet dat een eventuele val van Berlusconi de problemen oplost. Noch de rechtse coalitie, noch de verdeelde en immer ruziënde linkse oppositie wordt vertrouwd. De grootste partij in de peilingen is die van de thuisblijvers. De Italianen rest weinig anders dan de oer-Italiaanse kunst van het arrangiarsi, ritselen en improviseren om te overleven.

Onze oppas Eleonora, een bijna afgestudeerde 28-jarige Italiaanse biologiestudente, is twee weken geleden met haar vriendje naar Iran geëmigreerd. Ze loopt nu met een hoofddoek door Teheran, werkt bij een informaticabedrijf, waar zij en haar vriend het geld hopen te verdienen om een gezin te stichten. Ze kookt van woede onder haar niqaab, omdat haar eigen land – wat ze prachtig vindt en waar ze trots op is – niet in staat is om haar en haar generatie een toekomst te garanderen.