Ik hoor er als politieagent wel/niet bij

Sinan Çankaya deed onderzoek bij de politie.

Conclusie: een allochtone agent moet zich bewijzen als Nederlandse agent en tegelijk ‘etnische meerwaarde’ tonen.

Met zijn baardje, spijkerbroek en blauwe All Stars-gympen wekte cultureel antropoloog Sinan Çankaya (29) niet direct het vertrouwen van de oudere dienders van het korps Amsterdam-Amstelland. Hun eerste indruk van hem was: Turks. (Waarop hij antwoordde dat hij ‘Nijmeegs’ is, wat voor sommige Amsterdamse agenten weinig beter was.) Verder vonden ze hem religieus (wat hij niet is) en een wetenschapper (die hij wel is). Hij werd ook weleens aangezien voor de jongen die de koffieautomaat kwam bijvullen of familie van een verdachte.

Als een van twaalf ‘buitenstaanders’ trad Çankaya vier jaar geleden toe tot het politiekorps Amsterdam-Amstelland, in een project om de politieorganisatie ‘scherp’ te houden. Gisteren promoveerde hij aan de universiteit van Tilburg op het onderzoek dat hij er deed. De agenten raakten na verloop van tijd aan hem gewend, al was het maar door „het samen lunchen in de kantine, het roken van sigaretten met dienders in de rookhokken” en „veel – heel veel – ‘bakkies doen’”, zoals hij schrijft. Naast deze ‘participerende observatie’ baseert Çankaya zijn onderzoek op 44 diepte-interviews met agenten van Nederlandse, Turkse, Marokkaanse en Surinaamse afkomst.

Conclusie: allochtone agenten moeten zich bewijzen als loyale, Nederlands sprekende Nederlandse agenten en tegelijk hun ‘etnische meerwaarde’ tonen. Dat kan wringen en leiden tot het gevoel dat ze er niet bijhoren. Achtergrond: streefcijfers voor allochtonen bij de politie worden buiten Amsterdam al jaren niet gehaald.

Hoe werkt uitsluiting in de praktijk?

„Een Turkse agent spreekt een Turks-Nederlandse burger aan in het Turks, omdat die burger het Nederlands niet machtig is. Zijn autochtone collega zegt: ‘Wat flik je me nou, ik versta je niet.’ De Turkse agent zegt: ‘Ik probeer alleen goed mijn werk te doen, je moet me vertrouwen.’ Dat is een waargebeurd voorbeeld van twijfel aan de eerlijkheid en integriteit van een collega uit een etnische minderheid. En het is een ongelijkheid. Het contact van autochtone agenten met autochtone burgers wordt niet op die manier bekeken.”

Leidinggevenden kunnen toch uitleggen dat sommige collega’s soms een andere taal gebruiken tijdens hun werk?

„Het inzetten van de ‘etnische taal’ is ook beleid. Maar agenten vormen sterk een eenheid in hun optreden naar buiten. Hun conceptie van de werkelijkheid is de veilige binnenwereld (het politiekorps) versus de onveilige buitenwereld. Als een allochtone agent een andere taal inzet, wordt de eenheid tijdelijk doorbroken.

Daarnaast speelt veiligheid een rol. De autochtone agent denkt: ‘Stel dat de situatie escaleert, dan weet ik niet eens waar het over gaat!’ Dat is een reëel argument.”

Maar niet meer doen dan: de andere taal gebruiken?

„Een grote groep agenten waardeert het wél. Het is bijvoorbeeld handig als er mensen aan de balie komen die geen Nederlands spreken. Mijn boodschap is ingewikkeld. Het wordt wel én niet gewaardeerd. Agenten moeten doen alsof ze gelijk zijn én hun etnische meerwaarde benadrukken. Die verschillende verwachtingen maken dat zij voortdurend pendelen tussen ‘ik hoor er wel bij’ en ‘ik hoor er niet bij’.”

U zegt niet, zoals sommige onderzoekers voor u: bij de politie wordt gediscrimineerd?

„Het is niet zo dat agenten uit etnische minderheden er categorisch niet bijhoren. Juist in de confrontatie met burgers speelt niet mee dat je lager in rang bent, of allochtoon. Als iemand dat wel laat meespelen, wordt dat hard aangepakt in de informele politiecultuur. Dat kun je echt niet maken. In die context voelen politiemensen uit etnische minderheden wél dat ze erbij horen.

„In- en uitsluiting hangt af van de situatie. Het is warrig. Niet constant. Er is bestaande, expliciete uitsluiting, maar ook vermeende uitsluiting. Sommige politiemensen uit een etnische minderheid herkennen de mechanismen niet die ik beschrijf. Die hebben een manier ontwikkeld om ermee om te gaan. Bijvoorbeeld door sterk hun gelijkheid te benadrukken, mensen er zo min mogelijk op te wijzen dat ze anders zijn, juist niet hun etnische taal te gebruiken.

„Uitsluiting is ook niet voorbehouden aan etnische achtergrond. Het kan ook voorkomen als je lager in rang bent, of jong. Waar het om gaat, zijn de onderliggende machtsverhoudingen. Een bepaalde groep heeft de macht en die is bezig een relatief nieuwe groep in een machteloze positie te dwingen. Dat uit zich in wantrouwen, grappen en opmerkingen.”

Zou u jongeren uit etnische minderheden aanraden om bij de politie te gaan?

„Zeker. Hoogstwaarschijnlijk krijgen ze weleens een gevoel van uitsluiting. Maar de politie heeft agenten uit etnische minderheden hard nodig om het vertrouwen van de samenleving te behouden. Ik geloof sterk in dat legitimiteitsargument. Je kunt het bijna niet maken met twintig witte agenten een groep Marokkaanse jongeren aan de kant te zetten in Amsterdam-West.”