Een winstgevende film is een goede film

De Vlaamse auteur Jan van Loy geeft in zijn nieuwe roman Ik, Hollywood een panorama van honderd jaar Hollywood. Hoe verhoudt dat boek zich tot al die andere boeken die de Amerikaanse filmindustrie als onderwerp hadden?

Had ik alle tijd van de wereld, ik zou alleen boeken als Ik, Hollywood lezen. Een roman van de grote greep, met een bereik van honderd jaar; een panorama van de 20ste eeuw door de ogen van een filmtycoon; een soap over de geschiedenis van de filmindustrie, maar dan een die nergens sentimenteel wordt. Zeshonderd dikbedrukte bladzijden, waarvan je er een paar honderd nodig hebt om ‘erin te komen’. Een epos dat je daarna nauwelijks kunt wegleggen, met een slot dat erin slaagt om te ontroeren, zelfs al is het allesbehalve perfect uitgevoerd.

De vierde roman van de Vlaming Jan Van Loy (1964) is dik, dikker dan de gemiddelde A.F.Th. of de nieuwe Stefan Brijs. Te dik eigenlijk voor een haastige tijd als deze. Welke lezer gaat zoveel tijd – 18 uur om precies te zijn – nemen om zich te verdiepen in het leven van een fictieve Hollywood-mogol? Zoals Nick Hornby ooit wanhopig in een recensie schreef: ‘We hebben banen, kinderen, dvd-spelers, seizoenskaarten!’ Wat voegt Jan Van Loy toe aan de grote Hollywoodromans die al zijn geschreven (en ten minste half zoveel bladzijden tellen): The Day of the Locust van Nathanael West, The Last Tycoon van Scott Fitzgerald, Get Shorty van Elmore Leonard, The Player van Michael Tolkin en The Book of Illusions van Paul Auster?

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 21 oktober 2011, pagina 10 - 11. U kunt het hele artikel hier lezen.