Populisme en de machtsvraag

De grootste partij van Zwitserland, de populistische SVP, heeft gisteren een niet verwachte nederlaag geleden bij de nationale verkiezingen. Volgens peilingen van de Zwitserse televisie van vanochtend valt de Schweizerische Volkspartei met drie procentpunt terug naar 25,9 procent. De SVP blijft daarmee wel de grootste partij, maar bleef ruim beneden de barrière van 30 procent die de ze ditmaal hoopte te slechten.

Vorige maand verloren de populisten in Denemarken terrein. De Deense Volkspartij, die net als de SVP contacten onderhoudt met de Nederlandse PVV, leverde 3 van de 25 zetels in. Daarmee kwam in Denemarken een einde aan de constructie waarbij een centrum-rechts kabinet met behulp van gedoogsteun van de populistische partij kon regeren, de situatie die Nederland sinds vorig jaar juist wel kent.

De SVP, die twintig jaar van gestage groei achter de rug heeft, hoeft zich in Zwitserland geen zorgen te maken over haar positie in de regering. Niet alleen bleef ze de grootste, bovendien kent Zwitserland de Konkordanz: de vier grootste partijen vormen er al jarenlang de regering op basis van consensuspolitiek.

Hoewel verleidelijk, is het veel te vroeg om in de nederlagen van de SVP en de Deense Volkspartij de trend te zien dat het populisme in Europa op zijn retour is. Het zou kunnen dat onder druk van de internationale financiële crisis kiezers geneigd zijn terug te keren naar de meer traditionele partijen, maar bijvoorbeeld de peilingen in Nederland wijzen daar niet op.

Het lijkt er eerder op dat sommige populistische partijen zodanig tot het politieke establishment zijn gaan behoren, dat hun functie van protestpartij is vervaagd. Zij beperken zich niet meer tot louter commentaar aan de zijlijn, maar doen aan het politieke spel van concessies in ruil voor macht mee. Dat is het geval in Zwitserland, dat was het jarenlang in Denemarken en dat is nu ook in Nederland zo.

Onmiskenbaar zijn andere partijen, geconfronteerd met de electorale werkelijkheid, opgeschoven in de richting van het populisme. Dat leidt soms tot bizarre en quasi-krachtige maatregelen, zoals het aanstaande verbod op gelaatsbedekkende kleding in Nederland en elders. Maar een essentiëler gevolg is een in het algemeen strenger immigratiebeleid in vrijwel alle landen in de Europese Unie en daarbuiten.

Over de noodzaak en de effectiviteit daarvan valt zeker te twisten. Maar dat neemt niet weg dat dergelijke maatregelen een gevolg zijn van een democratisch proces. Met hun vlucht naar het populisme hebben kiezers een signaal afgegeven, waarop traditionele partijen slechts met moeite een antwoord wisten te vinden. De conclusie is blijkbaar dat populistische partijen zijn in te kapselen door delen van hun gedachtegoed in beleidsdaden om te zetten.