Op de foto met Gaddafi

Uit de koelcel waar het lijk van Gaddafi ligt komt een misselijkmakende stank.

Het deert de Libiërs niet. „Ze gaan beter slapen nu ze weten dat Gaddafi dood is.”

A Libyan woman takes pictures of her daughter in front of a tank as weapons and other items belonging to the former regime are displayed in Misrata on October 23, 2011. Libya's new leaders will declare liberation in the wake of Moamer Kadhafi's death, paving the way for the formation of an interim government followed by the first free vote in 42 years. AFP PHOTO/PHILIPPE DESMAZES AFP

Widad El Weila (40) is helemaal uit Tripoli gekomen om samen met haar jonge dochters het lijk van Moammar Gaddafi te zien. „We willen met eigen ogen zien dat Tshatshoufa dood is”, zegt ze. Tshatshoufa is de bijnaam van Gaddafi en verwijst naar zijn afrokapsel. „We hebben de kinderen meegebracht, omdat we hun willen tonen dat ze nergens meer bang voor hoeven te zijn.”

El Weila is een van de weinige vrouwen die in de rij staan voor de vrieskast van het winkelcentrum in Misrata waar het lijk van Gaddafi op de vloer ligt. Het ligt hier nu al drie dagen. Uit het koelsysteem komt een misselijkmakende stank. Het deert de honderden mannen die langs schuifelen niet. Zij willen Gaddafi zien en het liefst ook op de foto met de dode dictator.

Is dat niet allemaal wat macaber? Zo moeten we dat niet zien, zegt de 28-jarige Mahmoud El-Burri, een ex-rebel uit Misrata. „De Libiërs kunnen het nog niet geloven wat er is gebeurd. Ze gaan beter slapen nu ze zeker weten dat Gaddafi dood is.”

Maar vraagt de islam dan niet dat een overledene binnen 24 uur in islamitische grond begraven moet worden? „Dat is zo”, geeft sjeik Hisham Mohamed Embrika toe. „Maar het is geen verplichting. Het is meer een manier om respect te tonen voor de overledene.” En respect is niet wat de meeste Libiërs nu voelen.

Zelf is Embrika niet gaan kijken. „Het volstaat dat hij dood is. Ik had hem liever voor de rechtbank zien verschijnen.” Hij is een van de weinigen met die mening. Embrika is uitzonderlijk: in augustus begon hij op eigen houtje een kerkhof aan het strand in Misrata voor gedode Gaddafi-aanhangers. Hij beschouwt het als zijn plicht om ook hun een islamitische begrafenis te bezorgen. „Toen wij het nieuws van Gaddafi’s dood vernamen, hebben we onmiddellijk een graf voor hem gegraven. We zijn bereid hem hier te begraven, dan zal er wel bewaking moeten komen. De mensen in Misrata zijn heel boos.”

Wie over de voormalige frontlinie rijdt, de kapotgeschoten Tripoli-straat, begrijpt meteen waarom. De 23-jarige Omar Kawa, een lid van de Halbous-brigade, wijst op de muur waarop honderden namen van martelaars staan geschreven. Tijdens het beleg van Misrata zijn meer dan duizend mensen gedood. Genoeg om elke straat in Misrata naar een martelaar te noemen. „Dat wil zeggen dat bijna elke familie in Misrata een dode zoon of vader heeft”, zegt Kawa.

Kawa bevond zich op de boerderij van een van zijn chefs, de hangplek van de Halbous-brigade, toen daar donderdag het lijk van Gaddafi werd binnengebracht. „De chauffeur van de ambulance was een van ons. Hij wist niet waar hij naartoe moest met het lijk. Hij was bang dat de meute Gaddafi uit het voertuig zou sleuren. We hebben erover gepraat. Toen herinnerde iemand zich de vrieskast in het winkelcentrum, buiten de stad, buiten het bereik van de mensen.”

Hij schopt wat zand over de plek waar Gaddafi leegbloedde tijdens dat half uur op de boerderij. „Het is goed dat hij dood is.”Maar toch heeft hij ook wel een beetje respect voor Gaddafi. „Hij heeft gezegd dat hij al vechtend zou sterven in Libië en hij heeft woord gehouden.”

Hussein Dabaiba (33) was erbij toen Gaddafi werd gearresteerd. „Dat wil zeggen: ik stond op de weg boven de riooltunnel waarin hij verstopt zat”, zegt hij in de kazerne die gedeeld wordt door de Halbousbrigade en de Tijgerbrigade, die Gaddafi heeft gepakt. „We werden onder vuur genomen door vier lijfwachten die de ingang van de tunnel bewaakten. Zo wisten we dat er een belangrijk iemand moest zitten.”

Het was een chaotische situatie, zegt Dabaiba. „Een gevecht van man tegen man. Het konvooi is eigenlijk in onze armen gereden. Zij waren met zo’n vijfhonderd man. Ze verscholen zich achter bomen, in bomen, in greppels.” Daarom heeft hij ook niet gezien wat er met Gaddafi is gebeurd. „Men vergeet soms dat het vuurgevecht nog uren duurde nadat Gaddafi was gepakt.”

Terwijl hij praat komen in de kazerne honderden strijders met hun voertuigen aangereden uit Sirte. Ze doen stoer zoals rebellen dat doen: in de lucht schieten, gierende banden. „Die bravoure hadden wij nodig om onszelf moed in te praten”, zegt Dabaiba. „Anders ga je niet telkens terug naar het front. We waren opgefokt en gefrustreerd. Ik weet nog dat ik een collega bijna heb gewurgd omdat hij een raket had afgevuurd zonder mij te waarschuwen waardoor mijn arm werd verschroeid. We hebben mekaar vandaag teruggezien en zijn in mekaars armen gevallen. Dit is wat we nu doen: barbecuen.”