'Mensen willen mijn leven afpakken'

Mariska Orbán is een van de meest gehate Nederlanders. De hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad zoekt in haar vandaag verschenen boek naar verklaringen.

den bosch mariska orban foto rien zilvold

Vorig jaar schreef zij nog in alle rust stukjes voor een vakblad over ADHD. Nu staat Mariska Orbán regelmatig in de Twitter- top-10. Haar leven is ingrijpend veranderd, vertelt de zeven maanden zwangere hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad in haar Bossche werkkamer. „Veel mensen herkennen mij op straat. Ze menen te weten wat ik denk en voel. Dat is niet altijd even leuk, maar het went snel.”

Met haar vandaag verschenen boek Blond, brutaal en bidden beschrijft Orbán de gebeurtenissen in het jaar na haar aanstelling als hoofdredacteur in september 2010. Zij probeert te verklaren waarom zij tot een van de meest gehate Nederlanders uitgroeide. Centraal staat de open anti-abortusbrief die zij schreef aan VVD-Kamerlid Jeanine Hennis-Plasschaert, in oktober vorig jaar. Het leverde 350.000 tweets in drie dagen op.

In uw brief stelt u dat Hennis-Plasschaert door haar miskramen zou moeten inzien hoe onwenselijk een abortus is. Een pikante vergelijking.

„De vergelijking is niet nieuw; wetenschappers maken hem wel vaker. Voor een abortus kies je, voor een miskraam niet, het zijn beide traumatische ervaringen voor een vrouw. Sterker nog: een abortus heeft psychisch meer impact dan een miskraam. Toch beschouwen veel Nederlanders abortus als een recht. We meten met twee maten, dat wilde ik Hennis-Plasschaert duidelijk maken.”

U heeft zelf een miskraam gehad, dus u weet hoe gevoelig zoiets ligt. Heeft u de gevolgen van uw actie onderschat?

„Voordat ik mijn brief publiceerde in het Katholiek Nieuwsblad, had de hulpbisschop van Roermond aan Hennis-Plasschaert een anti-abortusbrief gestuurd [met een plastic foetuspoppetje als bijlage]. Daar reageerde zij heel afwijzend op. Ik stelde toen aan haar voor dat ik op de kwestie zou reageren in een open brief in mijn krant. ‘Prima’, antwoordde zij. Toen de brief eenmaal was geplaatst had Hennis-Plasschaert er moeite mee. Misschien door de toon – dat kan. Of wellicht dacht ze dat de brief cynisch bedoeld was. Ik heb haar een paar keer gebeld om haar van het tegendeel te overtuigen. Ze wilde mij niet te woord staan.”

Begrijpt u waarom uw brief zo veel ophef heeft veroorzaakt?

„Ik heb een open zenuw geraakt. In Nederland mogen wij ons niet tegen abortus uitspreken. We weten dat het gruwelijk is, maar we praten er liever niet over. ”

Critici vonden uw actie gehaaid. U zou over de rug van Hennis-Plasschaert de discussie over abortus hebben willen aanzwengelen.

„Het is nooit mijn bedoeling geweest om haar te kwetsen. Ik wilde aangeven hoe pijnlijk het voor vrouwen is om een kind te verliezen. Niet alleen bij een miskraam, maar ook bij een abortus.”

Bent u in uw opzet geslaagd?

„Aanvankelijk was ik bang dat mijn actie een averechts effect had. Maar in de media en op scholen wordt nu vaker over abortus gesproken. Het is niet voor niets geweest.”

Door de hype rond uw persoon leerde u, als journalist, de media op een andere manier kennen. Wat viel u op?

„Het Katholiek Nieuwsblad heeft een wat ouwelijke uitstraling, er werkten geen vrouwen. Dus toen er een blond, brutaal ding werd aangesteld, doken de media er bovenop. Zeker nadat de rel rondom de abortuskwestie was losgebarsten. Het viel mij op dat de meeste journalisten oppervlakkig en voorspelbaar zijn. Ze stellen allemaal dezelfde vragen. Toen ik dat doorkreeg, ben ik mijn eigen verhaal gaan vertellen.”

In uw boek stelt u dat de felle reacties op uw brief mede het gevolg zijn van de ‘identiteitsverschraling van de media’. Wat bedoelt u daar mee?

„Journalisten zijn ijdel. Ze applaudisseren elkaar liever monddood dan dat ze hun nek uitsteken. Zelden hoor je ze een oorspronkelijk standpunt verkondigen. Ze kijken dezelfde tv-programma’s en verkondigen dezelfde D66-standpunten. Wie daarvan afwijkt, heeft het moeilijk.”

Later vertelt Orbán dat André Rouvoet, voormalig lijsttrekker van de ChristenUnie, met hetzelfde probleem kampte. Toen zij hem vorig jaar tegenkwam bij een katholieke netwerkgroep, pakte hij haar stevig vast. „Wat jij meemaakt, maak ik al jaren mee” zei hij. „Steeds als ik over een ethisch onderwerp begin, vullen collega’s in wat ik ga zeggen. Ze maken een karikatuur van mij.”

Van Geert Wilders kun je dat niet zeggen. Hij verdedigt het joods-christelijke gedachtegoed met verve.

„Ik vind het stoer zoals Wilders dat doet. Maar het verbaast mij ook dat de PVV het CDA moreel inhaalt. Het CDA toont geen lef. Er worden miljoenen christenen vervolgd in de wereld, maar de partij rept er met geen woord over. Het CDA volgt het voorbeeld van Jezus die zich als een mak schaap naar de slachtbank liet leiden. Over die passiviteit kan ik mij enorm opwinden.”

Hoe ligt Wilders bij uw achterban?

„Hij is een splijtende factor. Sommige lezers stemmen op hem, anderen niet omdat hij moslims uitsluit. Maar het valt hen op dat Wilders voorop gaat in de katholieke strijd.”

Schrijft u dat ook op in uw krant: wij katholieken kunnen leren van de manier waarop Wilders opkomt voor onze joods-christelijke wortels?

„Ja. En niet zonder gevolgen: wij krijgen veel boze brieven. Wie Wilders applaus geeft wordt al snel met extreemrechts geassocieerd.”

Net als Wilders krijgt u veel haatmail. U wordt digitaal gemarteld en verkracht, schrijft u in uw boek.

„Dagelijks, ja. Iedere keer als er iets speelt bij een christelijke partij, of in de Kerk, stromen de reacties binnen. Mensen willen mijn kinderen, mijn computer en mijn leven afpakken. Het is toch raar dat mijn tweets meer impact hebben dan die van Wilders?”

Wordt het geen tijd dat u een nieuwe katholieke partij opricht?

„Tien jaar geleden liep ik stage bij de politieke redactie van NRC Handelsblad. Als ik in een paar uur tijd een stukje in elkaar had gedraaid, leidde dat al snel tot kamervragen. Mooi die politiek, dacht ik. Maar ik blijf lekker journalist.”

IJdelheid is ook u kennelijk niet vreemd.

„Het gaat mij om de invloed, niet om de aandacht. Aandacht komt het werk van een journalist niet ten goede.”