Leuke jongens, met een baldadig plan

Wie: Vijf jongens, van 16 tot 23 jaar

Waar: rechtbank Rotterdam

Gedaagd voor: mishandeling van terminaal zieke op een vakantiepark

Na een zware chemokuur was duidelijk dat de vader niet lang meer te leven had. Daarom mocht hij met zijn gezin een week naar een vakantiebungalow van stichting Roparun bij Zuidland, in de buurt van Rotterdam. Daar werden ze op de avond van 15 juli gemolesteerd. Een groep jongeren uit de buurt viel hen aan, met takken en houten paaltjes. In dat gevecht brak de vader een rib, die niet meer zal genezen.

Een gruwelijk verhaal. Jongeren die zoiets doen, moeten wel gevoelloos zijn. Toch?

Maar op de eerste rij van de rechtszaal in Rotterdam zit een Benetton-reclame: een bonte mix van leuke jongens, tussen de 16 en 23 jaar oud. Ze zijn Nederlands of half Indisch, eentje is Thais. Ze dragen spijkerbroeken met een hoody, een jasje of een keurige spencer. Ze hebben bijna allemaal een blanco strafblad. Ze werken of volgen een opleiding. Kevin bijvoorbeeld is net geslaagd voor de mbo-opleiding sport en beweging. Hij solliciteert als gymleraar. Ronald is basiskok niveau twee. Hun ouders zitten in de zaal.

Officier van justitie A. de Beer zegt het ook: „Ik zie doorsnee dorpsjeugd, niks bijzonders. Leuke jongens die op een verkeerd moment met heel verkeerde dingen bezig waren.” Hij richt zich, bijna vaderlijk, tot hen. „Bij de meeste vechtpartijen denk ik: laat maar gaan. Maar aan deze vechtpartij zit iets vast wat jullie niet wisten, maar wat het wel lastig maakt.” Hij doelt op de ziekte van de vader. Wisten de jongens dat niet? De schoondochter van de man heeft het geroepen tijdens het gevecht: „Stop, hij heeft kanker!”

Het conflict ontkiemde die middag bij de plaatselijke supermarkt. Een deel van de jongens hing er rond toen de vader boodschappen kwam doen, met een van zijn zoons en schoondochter. De lezingen over wat er toen precies is gebeurd, verschillen. De jongens zouden de vader hebben laten struikelen, of hem hebben bespuwd, wat zij ontkennen. De vader zou gedacht hebben dat ze zijn portemonnee wilden rollen en sloeg daarom één van hen. Het gevecht dat ontstond, moest worden beëindigd door de slager.

De officier van justitie stelt vast dat de jongens daarna een „baldadig” plan opvatten. ’s Avonds laat gaan ze naar het vakantiepark met een doos rauwe eieren. Bij het huisje van de familie gooien ze die, péts, péts, kapot. Als het gezin naar buiten komt, is de minderjarige R. niet snel genoeg. Hij wordt bij zijn fiets gegrepen en gedwongen af te stappen.

De andere jongens laten het er niet bij zitten: hun vriend moet worden ontzet. Ze vragen hulp van vrienden. Met zijn zeventienen lopen ze tegen middernacht opnieuw naar het huisje. Onderweg trekken ze boompjes en paaltjes uit de grond. Ze willen „dreigend” overkomen als ze aankomen. Bij het huisje zit R. op de grond, omringd door het gezin.

„Toen en daar is de vlam in de pan geslagen”, zegt de officier van justitie tegen de rechtbank. In het donker ziet het gezin een groep jongens op zich afkomen, met takken en stokken. Eén van de zoons stapt naar voren. En op dat moment haalt de Thaise jongen, zijn vrienden noemen hem Beer, uit met een tak, een paal of een boompje – dat wordt in de rechtszaal niet duidelijk. Daarna breekt het gevecht los waarin de vader een rib breekt.

Waarom sloeg Beer? Omdat hij zich bedreigd voelde, zegt hij. Dat irriteert een van de rechters. „Dat jij zegt dat je je bedreigd voelde, wekt bij mij irritatie op. Ik zeg het je maar”, zegt ze. „Want wíé werd er nou eigenlijk bedreigd op het moment dat jullie R. gingen ontzetten? Jullie hadden takken en stokken bij je. R. zat buiten, hij werd níét geslagen of lastiggevallen.”

Beer: „De zoon stapte naar voren, hij wilde iets zeggen. Ik voelde mij bedreigd.”

De rechter zucht: „Ik kan dat niet met elkaar rijmen.”

Op het politiebureau vond de moeder van het gezin het later moeilijk om de jongens te herkennen op foto’s. Die avond had er een groep „wilden” om haar heen gestaan met „vertrokken gezichten”. Op de foto’s zag ze „leuke, normale jongens”.

Ronald, die een paal naar het huisje heeft gegooid, zegt: „Ik kwam aan, zag chaos en ik flipte een soort.”

Twee weken later legt de rechtbank de meeste jongens onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. Ze worden veroordeeld voor poging tot zware mishandeling of openlijke geweldpleging. Maar geen van hen hoeft terug naar de gevangenis. Ze hebben relatief lang in voorarrest gezeten. Wel moeten alle jongens werkstraffen uitvoeren, van veertig tot tachtig uur. En ze moeten het gezin ieder enkele honderden euro’s schadevergoeding betalen.

Merel Thie