Houd altijd een dode kraai paraat

Het leven is soms net een sprookje. De laatste tijd kom ik almaar mensen tegen die zo verregaand geleerd zijn en zo luid en ingewikkeld praten dat ik onweerstaanbaar moet denken aan een sprookje van Hans Christian Andersen over een oude landheer met twee zoons, „die zo knap en bijdehand waren, dat de helft ook al genoeg geweest zou zijn”.

Wat Andersen in 1853 beschrijft, is in onze tijd alleen nog maar toegenomen, door de stijging van het percentage hoogopgeleiden en door de democratisering van de belezenheid als een gevolg daarvan. De ene zoon, schrijft Andersen, „kende het hele Latijnse woordenboek uit zijn hoofd en ook de plaatselijke krant van de laatste drie jaar, zowel van voren naar achteren als van achteren naar voren”. Je kunt je voorstellen welke inzichten dit biedt. „De ander kende alle artikelen en reglementen van de plaatselijke gilden en wat elke gildemeester behoort te weten, op die manier kon hij echt over politiek meepraten, vond hij.” Ook dat is winst.

Deze dagen dacht ik na over het slimmer worden van de samenleving, doordat ik verdiept raakte in een discussie over verslaving aan automatisering, de automation addiction. Enerzijds raken mensen steeds hoger opgeleid, anderzijds worden de geautomatiseerde systemen steeds slimmer. Die twee ontwikkelingen beïnvloeden elkaar, versterken en verzwakken elkaar, botsen, komen samen, vloeken, ondersteunen en onderkelderen elkaar. Het is niet onbelangrijk daar eens naar te kijken.

Om te beginnen met de automaten – onlangs verscheen een voorlopig rapport van de Federal Aviation Administration (FAA), een onderdeel van het Amerikaanse ministerie van Verkeer, waarin met zorg wordt gesproken over het toenemend gebruik van geautomatiseerde systemen in de luchtvaart. Wat in Nederland in de volksmond ‘de automatische piloot’ heet, is natuurlijk niet echt een piloot. Het is nog altijd de mens die vliegt, maar die mens wordt snel afhankelijker van een technologie die zo complex is dat ze onvoorspelbaar wordt en kan leiden tot onverwachte situaties.

Dit zou niet zo erg zijn als piloten lastige situaties gemakkelijk de baas konden worden, maar volgens een woordvoerder van de FAA leidt de afhankelijkheid van hightechsystemen juist tot een afname van basisvaardigheden van piloten. Ze vliegen immers steeds minder handmatig.

Nu zou je denken dat je dus moet aandringen op vaker zelf vliegen, maar daar zitten dan weer wetten en regels in de weg. Hoe hoger de mens is opgeleid, hoe minder fiducie hij heeft in handmatig opereren en hoe meer fiducie in regels en systemen. Dus komt er, zodra er iets misgaat, al gauw een regel bij die piloten verbiedt handmatig te vliegen.

Zo ontstaat de automation addiction, een vicieuze cirkel van veringewikkeldisering. Je ontwikkelt geavanceerde techniek. Die raakt – als een tovenaarsleerling – zo nu en dan de kluts kwijt, dus moet je ingrijpen. Daartoe moet je zelf aan de knoppen zitten, maar het is verboden om zelf aan de knoppen te zitten, omdat je ter voorkoming van ongelukken juist geavanceerde techniek hebt ontwikkeld.

Maakt u zich geen zorgen – de luchtvaart is nog steeds een zeldzaam veilige industrie. Toch is het voorbeeld interessant. Het verlies aan geloof in ambachtelijkheid en vakmatigheid kom je natuurlijk ook tegen in andere industrieën en organisaties. De systemen worden slimmer en de mensen denken abstracter. De combinatie van deze twee ontwikkelingen kan gemakkelijk leiden tot crisis.

Laten we nog even teruggaan naar Andersen en zijn sprookje Domme Hans.

Anderhalve eeuw geleden voerde de sprookjesschrijver twee slimme zoons op, met louter krantenstukken en reglementen in hun hoofd. Aldus uitgerust gingen ze werven om de hand van de prinses; hiertoe had ze opgeroepen. Om hun kans op succes te vergroten, smeerden ze hun mondhoeken in met levertraan, „opdat het praten hun nog gemakkelijker af zou gaan”.

Bij de prinses aangekomen bleek hun geleerdheid niets waard. Zij wilde praten over het braden van haantjes. Hiervan hadden ze niet terug. De derde zoon, Domme Hans, had op weg naar het paleis een dode kraai in zijn zak gestoken en stelde aan de prinses voor die samen met de haantjes te braden. Dit vond ze een goed idee. „Misschien heb je iets om hem in te braden?” Gelukkig had Domme Hans een oude klomp gevonden. Die kon dienst doen als pan. Uit de sloot langs de weg had hij heerlijke saus geschept. Hiermee stal hij, begrijpelijkerwijs, het hart van de prinses definitief.

Andersen bepleit hier geen domheid. Hij pleit voor praxis, voor realiteitszin en voor het flexibel kunnen reageren op elke lastige situatie. Hij zou niet blij zijn te horen dat we steeds slimmer worden en steeds verder afdwalen van de werkelijkheid. Willen we greep houden op de systemen die ons leven regeren, dan zullen we ze juist als een Domme Hans de baas moeten blijven.

Enfin. Dit is natuurlijk slechts een advies uit de krant, van uw dienstwillige pennenlikker – „op wie je”, schrijft Andersen, „ook al niet vertrouwen kunt!”