Het leven is vurrukkulluk

Mijn moeder was vijftien toen Remco Camperts Het leven is vurrukkulluk verscheen. De kans dat ze het op de christelijke mulo te lezen heeft gekregen, is klein. Het boek maakte geen deel uit van mijn literaire opvoeding, zat niet bij de erfenis en was voor mij dus altijd literatuurgeschiedenis. Ongelezen literatuurgeschiedenis bovendien, zoals dat gaat met boeken uit 1961.

Tot deze week. Het duurde drie pagina’s voor ik hardop moest lachen (‘Alleen bij het seksjuwelen verkeer speelt de religie hun weleens parten, maar over het schenken van alcoholhoudende dranken aan minderjarigen schijnt niets in de bijbel te staan’) en drie minuten verder wist ik zeker dat Het leven is vurrukkulluk een feest is om te lezen, wat iedereen die het wél had gelezen altijd al beweerde.

Een boek waarbij je dan natuurlijk moet zeggen dat het zijn tijd ver vooruit was, dat het on-voor-stel-baar is dat het al een halve eeuw oud is. Die stelling is ook makkelijk te verdedigen (chick! Ze noemen een meisje chick!), maar als je wat beter kijkt zie je dat Het leven is vurrukkulluk toch vooral heel erg een boek uit 1961 is.

Dan bedoel ik niet de hoogwielige kinderwagens, stenotypistes of verlopen tramkaarten en andere dingen die niet meer bestaan. Wat mij vooral opviel, was hoe onschuldig de mensen waren. Want wat zou er nu gebeuren als je op zondagmiddag met je gezin thuiskomt en je het achterbuurmeisje met een onbekende jongen in je slaapkamer aantrof? Je zou niet snel geloven dat ze zich in je huis bevonden omdat ze in hun tuin een gaslucht roken en daarom over de schutting klommen, de gaskraan dichtdraaiden en naar de slaapkamer gingen om er een raam open te zetten. Geen mens die de insluiper zijn langgerekte smoes tot het einde zou laten uitspreken, laat staan geloven.

Zouden mensen nu nog denken dat het personage Panda in het park haar opa knuffelde terwijl ze in werkelijkheid een grijsaard beroofde van de bankbiljetten in zijn schoen? En zou iemand die de diefstal wél opmerkte, daarna de oude man gaan helpen, denkend dat er nog iets aan te doen was? Welke toiletjuffrouw serveert er nog een kopje thee na het plassen – maar dat laatste was wellicht in 1961 ook al een beetje buitenissig.

En dan is er nog de stijl. Je kunt je nog voorstellen dat iemand anno 2011 een jongerenroman schrijft met veel oog voor de spreektaal. Die zit in Het leven is vurrukkulluk trouwens niet alleen in de speelse spelling (na ‘seksjuweel’ is ‘roggul’ een fijn voorbeeld) – maar meer nog in de heel zorgvuldig opgeschreven, vaak halfafgemaakte zinnen in het triogesprek tussen Mees, Boelie en Panda aan het begin van het boek.

Heel misschien kun je je óók voorstellen dat er anno 2011 een boek wordt geschreven met zinnen die al een halve roman in zich bergen: ‘In de tijd althans toen grootmoeder nog bij haar positieven was en haar landgoed nog niet had weggeschonken aan een stichting die zich met het lot van de spijtoptanten bezighield, tot deze al te humane daad bewogen door een in een groot landelijk ochtendblad verschenen artikelenreeks, die het leed van deze bevolkingsgroep in schrille kleuren had beschreven.’

Maar allebei tegelijk, in hetzelfde boek? Dat zie je nu geen schrijver meer doen, en zeker geen Nederlander. Dat kon alleen maar in 1961 zo gebeuren. En volgens mij ook alleen maar omdat de schrijver van dat boek Remco Campert was.

Arjen Fortuin

Iedereen die lid is van een openbare bibliotheek krijgt tijdens de actie Nederland leest (tot 18/11) ‘Het leven is vurrukkulluk cadeau’. Zie ook: www.nederlandleest.nl