Architect van modern internationaal strafrecht

De Italiaanse jurist Antonio Cassese vocht tegen tranen van woede en frustratie na de val van Srebrenica. Als president van het tribunaal bemoeide hij zich later intensief met de aanklagers.

FILE - In this Wednesday, Feb. 21, 1996 file photo, judge Antonio Cassese gestures, in Paris, France. The Special Tribunal for Lebanon says its former president, renowned Italian jurist Antonio Cassese, has died after a long battle with cancer. The court said in a statement Saturday, Oct. 22, 2011, that Cassese died peacefully at his home in Florence on Friday night. His death came less than two weeks after Cassese stepped down as the tribunal's president due to his ill health. Cassese was one of the world's most respected experts in international law. He also served as the first president of the International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia from 1993-97 and led the United Nations' International Commission of Inquiry into Genocide in Darfur in 2004. (AP Photo/Michel Lipchitz, File) AP

Antonio Cassese, een prominente Italiaanse jurist die wordt gezien als de architect van het moderne internationale strafrecht, is zaterdag op 74-jarige leeftijd in zijn huis in Florence overleden.

Cassese speelde – gedreven door de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog – een cruciale rol tijdens de beginjaren van het Joegoslavië-tribunaal. Op 17 november 1993 werd hij, samen met nog tien rechters, beëdigd. Hij werd door zijn collega’s als eerste president van het tribunaal gekozen. Cassese was hoogleraar internationaal recht in Florence en publiceerde veel op het terrein van internationaal (humanitair) recht. Hij was op 1 januari 1937 geboren in Atripalda, een plaats in het arme zuiden van Italië.

De eerste hoofdaanklager, de Venezolaan Ramon Escovar, stapte na 105 dagen op. Hij kon minister van Binnenlandse Zaken worden in zijn land. Het duurde lang voordat er een nieuwe aanklager was gevonden, te lang vond Cassese en hij ging zich intensief bemoeien met het vinden van een opvolger voor Escovar. Cassese benaderde de Zuid-Afrikaan Richard Goldstone. Om hem te overtuigen, bracht Cassese de Amerikaanse president Clinton, de Russische president Jeltsin en de Zuid-Afrikaanse president Mandela in stelling. Habemus Papam! schreef Cassese in een brief aan zijn collega’s nadat Goldstone was benoemd.

Cassese stelde de procesregels voor het VN-hof op. Hij schreef later in het Journal of International Criminal Justice dat hij werd gedreven door „een zenuwtergend verlangen naar succes” en door „een kwellende angst voor de totale mislukking”. Cassese bemoeide zich intensief met het werk van de aanklagers. Bij de andere rechters, die geschoold waren in het Angelsaksische recht, stuitte dat op kritiek. Cassese snapte niet waarom de Bosnisch-Servische politicus Radovan Karadzic en legerleider Ratko Mladic niet eerder werden aangeklaagd. Een half jaar voor de val van Srebrenica had hij er nog ruzie over gemaakt met hoofdaanklager Goldstone. Hij geloofde in de afschrikkende werking van een aanklacht. Cassese vocht tegen „tranen van woede en frustratie” toen hij hoorde dat Srebrenica was veroverd.

Na zeven jaar, in 2000, verliet Cassese het tribunaal. Zijn vonnissen waren soms controversieel, maar zijn nu een wezenlijk onderdeel van het internationaal strafrecht. In 2004 leidde hij een onderzoek naar de oorlogsmisdaden in Darfur. In zijn aanbeveling klonk de ervaring van het tribunaal. Hij vond dat de vijf belangrijkste verdachten moesten worden aangeklaagd, het Joegoslavië-tribunaal had te veel verdachten aangeklaagd. En het proces zou in Soedan moeten worden gevoerd. De afstand tussen de rechtszaken in Den Haag en de slachtoffers op de Balkan was te groot gebleken.

Twee jaar geleden werd Cassese de eerste president van het Hariri-tribunaal, dat de moord op de Libanese oud-premier Rafik Hariri en 22 anderen vervolgt. Cassese legde twee weken geleden om gezondheidsredenen (hij leed aan kanker) zijn functie neer.