De restjes van Mildred

Als je voor het feest komt ben je te laat. Mildred kijkt mij vermoeid aan. Iedereen is vertrokken, zegt ze en gebaart naar het lege zaaltje achter haar. Ingezakte stukken taart op papieren bordjes, lege glazen, vertrapte slingers. Ik had achter de deur vol ballonnen en een papier met ‘Mildred 55 jaar, dat heeft ze mooi voor mekaar!’ een groot feest verwacht. Waarschijnlijk ziet Mildred mijn teleurgestelde blik. Ze wijst naar de fles wijn in mijn handen. Als je het zo graag wilt kunnen we nog wel een wijntje drinken. Ik aarzel. Ik wil haar niet tot last zijn. Maar Mildred dringt aan. Ik heb zelf ook wel zin een afzakker, zegt ze.

Het is een beetje vreemd, zo samen in die lege zaal. Ik vraag hoe de avond was. Leuk, zegt Mildred mat. Ik durf niet door te vragen. Ze ziet er ongelukkig uit en misschien zou ik dat ook wel zijn als ik in een lelijk verlicht zaaltje tussen de troep van mijn eigen feestje zou stranden. Het is altijd even afkicken, zegt ze dan. Eerst is iedereen er, en dan zijn ze weer weg. Blijf ik over met de restjes salade. Dan voel ik toch extra dat ik alleen ben. Nee, corrigeert ze zichzelf, niet alleen, maar zonder man. Ze vraagt waarom ik dit leuk vind, met haar hier zitten en meteen daarna of ik een relatie heb. Ze zegt dat ik beter daarin kan investeren dan in zogenaamde ontmoetingen met vreemden zoals zij.

Ik wil iets terugzeggen, maar Mildred praat snel verder. Ze vertelt dat ze veel gereisd heeft en op die reizen heel veel mensen heeft ontmoet. Daar is geen kunst aan, zegt ze. Dat is komen en gaan, maar blijven is belangrijker.
Ze lacht. Ik klink als een ouwe zure bom! Ik schud mijn hoofd. Er is niks zuurs aan haar. Wel iets verdrietigs. Mildred schudt haar schouders los. Je komt nu gewoon net op het moment dat ik het altijd even lastig vind. Voor jou wel handig trouwens, want ik weet niet of ik je had binnengelaten toen het feest in volle gang was. Ik vraag waarom niet. Met al mijn vrienden om me heen heb ik geen behoefte aan vreemden, zegt ze. En nu wel? Ze haalt haar schouders op. Nu heb ik er tenminste ook nog wat aan. Mensen staan gewoon niet de hele tijd open voor elkaar. En jij kan dat niet afdwingen. Ik vraag of ze mij dwingend vindt. Ze kijkt me aan. Je ziet er vriendelijk uit maar je hebt wel iets dwingends ja. Het klinkt scherp, onaardig bijna. Ik onderdruk de neiging om iets kritisch terug te zeggen. Dat ze zelf vast ook de makkelijkste niet is, bijvoorbeeld. Dat je niet voor niets in je eentje tussen de slingers eindigt op je eigen verjaardag.

Maar dan zegt Mildred dat ze blij is dat er nog iemand aanbelde. En het klinkt zo droevig dat ik me afvraag of ik überhaupt nog durf weg te gaan vanavond. Ik bied haar aan om te helpen met opruimen. Maar Mildred doet het liever alleen. We eten wat van de restjes bonen-mais salade. Als we onze wijn op hebben zegt ze dat het wel weer leuk is geweest. Ze begeleidt me naar de deur. Ik denk aan wat ze zei over blijven, even voel ik me schuldig. Maar ik ben niet de blijver die Mildred zoekt. Voor de eerste keer in mijn leven zou ik een man willen zijn. Van een jaar of vijfenenvijftig. Eentje die nu naast Mildred gaat zitten, zijn arm om haar heen slaat en blijft.