Vecht je mee? Nee toch?

Met de dood van Gaddafi komt in Libië een eind aan een maandenlange strijd. Correspondent Gert van Langendonck was regelmatig aan het front en kijkt terug op rakettenregens, modieuze rebellen en hulpvaardige sjeiks.

Benghazi

maart

Wanneer duizenden normale mensen ergens proberen weg te komen en een stel gekken wil juist naar binnen, dan weet je dat die laatste journalisten zijn, schreef de Amerikaanse verslaggever H.R. Knickerbocker in de jaren dertig. Het citaat is goed op zijn plaats op 19 maart aan de grensovergang tussen Egypte en Libië.

Het is de dag dat de troepen van de Libische leider Moammar Gaddafi op het punt staan om Benghazi, de hoofdstad van de opstandelingen, aan te vallen. Gaddafi heeft in zijn beroemde toespraak beloofd dat hij de rebellen zou opjagen als ratten, van huis tot huis, van steeg tot steeg. Gaddafi’s „Dar, dar, beit, beit, zenga, zenga” is een hit op YouTube en als ringtone. Maar de Libische opstandelingen maken zich geen illusies over wat er met hen zou gebeuren mocht Gaddafi in zijn opzet slagen.

Om je paspoort te laten afstempelen moet je letterlijk over de Afrikaanse families heen stappen die van de grenspost hun tijdelijke woonplaats hebben gemaakt. Ze zijn op de vlucht voor het geweld – en het racisme – in Libië maar ze mogen niet binnen van Egypte. In elke oorlogssituatie heb je mensen die tussen de plooien vallen. In Irak kampeerden zo duizenden Palestijnen jarenlang aan de grens met Jordanië. Als journalist kom je ze altijd tegen wanneer je op weg bent naar elders. Je belooft jezelf plechtig dat je terugkomt om een verhaal over hen te maken, maar het komt er meestal niet van.

Straks in Benghazi, in Tripoli, in Misrata zal blijken waarom deze mensen weg willen: het is in Libië niet fijn om zwart te zijn.

Wanneer je een land in oorlog binnengaat kun je maar beter niet alleen zijn. We horen verhalen over collega’s die verdwenen zijn op de weg naar Benghazi. Er is geen enkele informatie over wat er aan de hand is in Benghazi zelf want alle journalisten zijn vertrokken. Ook de collega’s twijfelen.

Maar dan komen twee Franse fotografen op ons af. Met een Franse air zeggen ze dat ze vanavond nog naar Benghazi rijden. De angst gezichtsverlies te lijden is een krachtige motivatie en ik besluit mee te gaan.

Die avond vindt de eerste NAVO-luchtaanval plaats. In Benghazi is er de volgende dag het verplichte bezoek aan het lijkenhuis waar de doden van Gaddafi’s mislukte herovering van Benghazi liggen. Het is altijd confronterend. Foto’s van lijken leveren thuis gegarandeerd boze lezersbrieven op over de exploitatie van menselijk leed. Maar ter plaatse is het net omgekeerd. Mensen sleuren je het lijkenhuis binnen en eisen dat je foto’s neemt. Hoe meer hoe beter. Dat niet doen is hun leed ontkennen, ook al weet je dat de foto’s nooit gepubliceerd zullen worden.

In een aparte kamer in het lijkenhuis ligt een stapel dode zwarte mensen. We leren een nieuw woord bij: mortazaga. Het staat voor ‘huurling’ maar ook wel voor ‘zwart’. Voetballende jongetjes noemen de zwarte spelers die ze kennen bij de grote ploegen ook mortazaga.

Het is in die periode dat de wilde verhalen opduiken over zwarte huurlingen die van Gaddafi Viagra-pillen hebben gekregen om beter Libische vrouwen te kunnen verkrachten. Elke rebel die we tegenkomen weet het zeker. Bijna niemand schrijft het verhaal op. Het is duidelijk onzin. Maar Hillary Clinton en het Internationaal Strafhof zullen het later wel als waarheid verkondigen.

De NAVO-luchtsteun blijkt niet het einde van het verhaal. In Benghazi wordt een spandoek met de woorden ‘Geen internationale inmenging: de Libiërs kunnen dit zelf klaren’ discreet verwijderd. Het begon wat al te vaak op te duiken in analyses in de internationale pers. Het is in die begindagen bijna onmogelijk om geen sympathie op te brengen voor de Libische opstandelingen.

Aan de ene kant een maffe dictator die gezworen heeft zijn eigen onderdanen uit te roeien omdat ze zijn positie ter discussie durfden te stellen. Aan de andere kant: studenten, apothekers, dokters, ingenieurs die stuk voor stuk tegen wil en dank strijders zijn geworden omdat ze om vrijheid en democratie durfden te vragen. Een Tahrirplein is het niet, maar de activisten op de Corniche van Benghazi zijn jong en hip. Ze maken geweldige Gaddafi-cartoons, ze houden van rap en heavy metal. Zelfs aan het front lijkt het soms wel een modeshow. Je vraagt je af hoe lang sommige rebellen ’s ochtends voor de spiegel hebben gestaan.

In Benghazi is iedereen heel vriendelijk voor de journalisten. De laatste keer dat wij zo op handen werden gedragen was in Sarajevo, jaren negentig. Auto’s stoppen om je een lift te geven, mensen bedanken je dat je naar hier bent gekomen. De in elke andere oorlog alomtegenwoordige fixers zijn hier niet, alleen vrijwilligers die beledigd zijn als je over geld begint. We voelen ons halfgoden. Maar je weet ook dat dat overgaat: naarmate duidelijker wordt dat de rebellen niet opgewassen zijn tegen Gaddafi’s leger, keert de stemming zich tegen de journalisten. De rebellen zeggen – niet geheel ten onrechte – dat onze artikelen hun posities verraden aan de vijand.

Ajdabiya, Brega, Ras Lanuf

april

Het is een wonder dat er niet meer journalisten zijn doodgegaan in deze oorlog. Elke nieuwe oorlog betekent een nieuwe generatie journalisten die zich wil bewijzen. Vooral de freelance fotografen nemen gigantische risico’s. Met zijn vieren rijden ze ’s ochtends met een taxi naar het front waar ze net zo lang blijven rondhangen tot het Grad-raketten begint te regenen. Niet zelden is de taxi dan al lang verdwenen. Andere keren smeken de journalisten de chauffeur om toch nog even te blijven terwijl de man gewoon naar huis wil. Eén bevriende fotografe doet dit wekenlang elke dag zonder dat ze ook maar één foto verkocht krijgt. Na een tijdje gaan alle foto’s van de frontlijn op elkaar lijken.

Begin april ontbreken vier collega’s aan het ontbijt in het hotel in Benghazi. Claire Morgan Gillis, Manu Brabo, James Foley en Anton Hammerl zijn gevangen genomen door de troepen van Gaddafi. Ze waren op het laatste moment uit een pick-up van de rebellen gesprongen omdat de grond te heet onder hun voeten werd. Toen de rebellen kort daarna op de vlucht sloegen voor een Gaddafi-offensief, reden ze de journalisten straal voorbij.

Morgan Gillis, Brabo en Foley zullen het er uiteindelijk levend vanaf brengen, maar de Zuid-Afrikaanse fotograaf Hammerl wordt doodgeschoten. Zijn familie zal maandenlang in het ongewisse blijven. Hammerl was niet zo bekend als Tim Hetherington en Chris Hondros, die eind april om het leven komen. Er wordt maar weinig over hem geschreven. Hij had drie kinderen.

Jebel Nafus

juni

Fathi Youssef wil me absoluut Ain Zarga tonen. Youssef is een Berberactivist in het stadje Jadu in de Westelijke Bergen. Ain Zarga is een smaragdgroen meertje in een wadi, omgeven door palmbomen. Boven op de rotsen komt de jeugd van Jadu ’s avonds bijeen. De meest roekeloze jongens duiken van de rotsen het meertje in, maar die jongens zijn nu aan het front. De achterblijvers roken jointjes en drinken zelfgestookte alcohol.

Youssef maakt zich zorgen over zijn 20-jarige neef Mohammed, die bij de rebellen is gegaan. „Hij heeft mij in Tripoli opgebeld nadat hij zijn eerste soldaat had doodgeschoten”, zegt hij. „Ik was geschokt dat hij daar zo blij om was. Ik kon het niet geloven: onze Mohammed, een killer! Wanneer deze oorlog voorbij is gaan we nog veel werk hebben om deze jongeren te rehabiliteren.”

Ik heb steeds minder zin in de frontlijn. Het is fijn om een artikel te kunnen sturen vanuit Bir Ayyad. ‘Nog 100 kilometer van Tripoli’ is de kop in de krant. De volgende dag staan de rebellen in Bir Ghanem, op 80 km. van Tripoli. Maar je kunt niet elke dag een frontlijnartikel schrijven. Er zijn hier maar weinig journalisten. Dat is fijn, want dan heb je het verhaal voor jezelf. Maar er zijn ook weinig collega’s bij wie je kunt checken wat er verderop ligt. We rijden een beetje te ver die dag. In een cementfabriek nabij Bir Ghanem zijn de rebellen dode Gaddafi-soldaten aan het begraven volgens het islamitisch ritueel. Waar zijn de Gaddafi-troepen, vragen we. Achter deze zandhoop, zegt een rebel.

We kuieren door het kamp waar de Gaddafi-soldaten die ochtend nog waren. Ze zijn in vliegende haast vertrokken. Een soldaat was zijn tanden aan het poetsen, een ander moet op één gymschoen zijn vertrokken. De overkant wordt plots menselijk.

Een rebel die met ons meeloopt probeert te bewijzen dat de Gaddafi-soldaten aan de alcohol verslaafd zijn. Maar elke achtergelaten fles waaraan hij ruikt, blijkt water te bevatten. Van de vrouwen waarmee de Gaddafi-soldaten zich zouden amuseren vinden we ook geen spoor.

Het is in deze oorlog moeilijk objectief te zijn. Zeker hier in de Westelijke Bergen zijn we eigenlijk embedded bij de rebellen. Die willen ook altijd graag op de foto met de journalisten. Liefst hangen ze je dan vol met munitiegordels en stoppen ze een kalasjnikov in je handen. Eén zo’n foto belandt per ongeluk bij de krant. „Vecht je mee”, klinkt het ongerust. „Nee toch?”

Het is niet dat we het niet proberen. In Zintan proberen we een hele dag toegang te krijgen tot een kelder waar meer dan honderd Gaddafi-soldaten gevangen zitten. De rebellen bieden aan er een paar naar boven te brengen. Dat willen we niet: we willen zien hoe ze gevangen zitten. Ik heb al te veel gevangen soldaten gesproken terwijl er tien rebellen rond hun ziekenhuisbed staan te roepen wat ze moeten zeggen.

De rebellen krijgen onderling ruzie: sommigen willen ons de kelder wel tonen, maar één man houdt voet bij stuk. „U moet begrijpen”, zegt een rebel, „ze zitten daar allemaal op mekaar gepakt, en we hebben zelf al niet genoeg eten. Het zou geen goed beeld geven aan de buitenwereld.” We krijgen de kelder niet te zien.

Tripoli, Misrata

augustus-september

‘Misrata-straat’ staat er in het Arabisch op de muur tegenover het El Wadan-hotel in het centrum van Tripoli gespoten. De mensen hadden het anders ook wel begrepen. De strijders uit Misrata hebben zich dit hoekje van de hoofdstad eigen gemaakt. In plaats van taxi’s staan er – netjes in de rij, dat wel – tientallen omgebouwde pick-ups op de stoep geparkeerd. Van SUV’s met luchtafweergeschut in de laadbak tot een Ford Fiesta waarvan het dak is afgezaagd. Een Chinees artilleriestuk dat eruit ziet alsof het de Bokseropstand van 1899 nog heeft meegemaakt, staat op de stoep met de loop op de lobby van het hotel gericht. De ‘hangrebellen’ doden de tijd door er rondjes mee te draaien.

We hadden enorm geluk dit hotel te vinden. Bij de aankomst in Tripoli vorige week was er geen plaats meer in de herberg. Dat wil zeggen: niet in de twee veelsterrenhotels waar het gros van de journalisten zit. Achteraf bleek dat een geluk bij een ongeluk. De honderden journalisten in het Corinthia en het Radisson betalen vele honderden dollars per nacht en hebben niets eens water; ze moeten om de beurt in het zwembad. Wij hebben water, elektriciteit en internet, en we betalen de eerste week niks.

Dit hotel werd gevorderd door de rebellen van Misrata en enkele personeelsleden die zich bij de plaatselijke burgerwacht hadden vervoegd. Het waren die laatsten die ons uitnodigden om hier gratis te verblijven, „in de geest van de revolutie”.

Nu Tripoli is gevallen tekent zich een nieuwe realiteit af. Tripoli is bezet door katiba’s (brigades) uit verschillende delen van het land. Die van Misrata en Jebel Nafusa hebben de grootste bijdrage geleverd aan de strijd en dat laten ze ook merken. Het is niet zozeer tribaal; het is de gedeelde ervaring tijdens de oorlog die de katiba’s bindt. Vooral de rebellen van Misrata, het ‘Sarajevo van Libië’, laten zich door niemand de les lezen.

Opnieuw zijn het de zwarten die de prijs betalen. Een eenheid uit Misrata, die zich de brigade ter zuivering van de slaven noemt, arresteert in Tripoli massaal mensen uit Tawargha, een zwart stadje van waaruit Misrata werd beschoten. We vinden er een aantal terug in gevangenissen in Misrata, en ten minste eentje op een kerkhof aan het strand.

Zoals altijd brengt oorlog het slechtste en het beste naar boven in de mensen. Het kerkhof aan het strand is alleen voor Gaddafi-doden. Twee sjeiks uit Misrata vonden het hun islamitische plicht om ook de vijand een begrafenis volgens de regels te geven. Ze maken foto’s van de lijken die hier door de rebellen gedumpt worden en slaan ze op in een computer zodat hun nabestaanden hen later kunnen identificeren.

Tunis

oktober

Net op het moment dat de internationale media aandacht beginnen te krijgen voor de Tunesische verkiezingen, komt het bericht dat Sirte is gevallen en Gaddafi is gedood. Plots wordt duidelijk hoeveel Libiërs er wel zijn in Tunesië. Bij de Libische ambassade aan de Avenue Mohamed V ontstaat een straatfeest. In het Hana-hotel aan Avenue Bourguiba, dat vol zit met gewonde Libische rebellen op krukken, klinken vreugdekreten.

Hier, op Bourguiba, begon het in januari allemaal. De Tunesiërs zelf zijn nog altijd stomverbaasd over wat ze hebben aangericht. In de Arabische wereld hadden zij tot voor kort juist de reputatie lammeren te zijn. Tunesië en Libië zijn onlosmakelijk verbonden. Door de oorlog in Libië zijn tienduizenden Tunesiërs die daar werkten het leger werklozen in Tunesië komen vervoegen.

Als het straks goed komt in Libië, zegt zakenman Mehdi Ben Khelifa, dan komt het ook goed in Tunesië.