Tranenthee

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: een potje huilen.

Kon ik maar zo mooi huilen. Dat denk ik altijd als ik de rubriek ‘Waterlanders’ in de Belgische krant De Stan-daard bekijk. Daarin brengt fotograaf Bart Heynen elke week een Bekende Vlaming aan het huilen en daar maakt hij dan een foto van. Het zijn steevast foto’s die laten zien dat talent voor huilen een teken van karakter is.

Hoe doet hij dat? „We babbelden wat en toen begon hij een verhaal te vertellen over het afscheid van een trouwe vriend. Heel open en eerlijk”, zegt de actrice Laura Verlinden die vorige week zaterdag aan de beurt was. „Dat maakte een diepe indruk op mij. En plots waren ze daar, de tranen.”

Aan mij zou die fotograaf natuurlijk een makkie hebben. Ik kan heel goed huilen. Ik doe het ook vaak. Ook buiten momenten van verdriet, wanhoop en frustratie. In bed bijvoorbeeld. Zo raar is dat niet hoor, googelt u maar eens ‘huilen na het klaarkomen’ en dan zult u zien dat ik heus niet de enige ben.

Maar om mij zo aan het huilen te maken, daar heeft zo’n fotograaf natuurlijk helemaal geen tijd voor. Dat is ook niet nodig. Een kleine vraag volstaat: ‘Hoe vindt u dat nou, dat u na 22 jaar een relatie heeft verbroken waardoor uw kinderen niet opgroeien in een hecht gezin?’ Nog voordat hij heeft kunnen scherpstellen, raakt mijn eerste traan de grond al. Ook effectief kan zijn: ‘Goh, u heeft een zware fulltime baan én de zorg voor twee pubers, u zult wel heel moe zijn.’

Dat laatste is een trucje dat ik therapeuten vaak heb zien toepassen. Eerst laten ze je leeglopen en dan, als je jezelf binnenste buiten hebt gekeerd, zeggen ze alleen maar. ‘Goh, wat zul jij verdrietig/boos/verward/moe zijn.’ Het is een loze opmerking, maar de patiënt voelt zich eindelijk begrepen, begint te huilen, wijt die eruptie van emoties aan de deskundigheid van de therapeut en die weet dat zijn kostje voorlopig weer gekocht is.

Huilen op commando is het probleem dus niet: het ziet er alleen zo rot uit. En op de een of andere manier wil ik dat graag kunnen: mooi huilen. Als puber heb ik het vaak geoefend, en niet altijd onverdienstelijk. In het licht van een schemerlampje bekeek ik in de spiegel mijn betraande gezicht en werd dan verteerd door zelfmedelijden – en door spijt, omdat niemand kon zien hoe gevoelig en knap ik was en hoe diep mijn bestaan. Tegenwoordig lijkt mijn gezicht na een huilbui helaas meer op een ‘oedeem in het gezicht’-illustratie in een medisch handboek.

Misschien moet ik het zoeken in het kleine verdriet, net als meneer Uil uit het kinderboek Muizensoep en tranenthee van Arnold Lobel. Uil kan heel waardig wenen. Van tijd tot tijd haalt hij de ketel uit de kast, zet die op schoot en gaat erboven aan heel verdrietige dingen denken: liedjes die niemand kan zingen, omdat niemand de woorden meer weet; lepels die achter het fornuis zijn gevallen en die je nooit meer terugvindt; potloodjes die te klein zijn geworden om vast te houden. Zo druppelt de ketel van Uil langzaam maar zeker vol tranenwater.

Om te oefenen in mooi huilen ga ik maar eens mijn eigen potje tranenthee zetten. Ik denk aan de nieuwe steigerhoutenbank op mijn dakterras die opwarmt in de herfstzon terwijl ik tachtig kilometer verderop op kantoor onder de aircondi-tioning zit; aan geheime foto’s die altijd digitaal moeten blijven omdat ze niet in een lijstje kunnen; aan foundation op de perzikhuid van tienermeisjes, aan leggings die worden aangetrokken door mevrouwen die denken dat het broeken zijn.

Ja, als ik aan die dingen denk kan ik wel mooi een potje huilen. Nu maar hopen dat er iemand aanbelt om het te zien.