Te veel innovatie kan mens niet aan

Innovaties sneuvelen vaak omdat het gewoontedier in ons ze niet wil. „Kom je aan beton, dan kom je aan hun identiteit.”

betonstorten hsl tunnel foto rien zilvold

Probeer aan de samenstelling van beton vooral niks te veranderen. Dan krijg je de sector tegen je. Bedrijfskundige Patrick Vermeulen kwam erachter tijdens zijn onderzoek. Hij is universitair hoofddocent organisatiewetenschappen in Tilburg, en hij onderzoekt waarom innovaties zo vaak sneuvelen. „Zeventig procent van alle vernieuwingen redt het niet”, zegt hij. „En dat is niet omdat het nieuwe product technisch niet goed zou zijn, of omdat de marketingstrategie niet klopt.” Nee, het zit ’m in onze weerstand tegen vernieuwing, die voortkomt uit onze normen, waarden, routines en vanzelfsprekendheden.

Vermeulen heeft er net een boek over uit, De verankerde organisatie. Met treffende voorbeelden schetst hij hoe mensen, bedrijven, sectoren worstelen met innovatie. En zich ertegen verzetten. Vermeulen, die begin volgend jaar hoogleraar Strategie wordt aan de Radboud Universiteit Nijmegen, behandelt sectoren als de kinderopvang, banken en verzekeraars, de houtsector. En de betonwereld. Ook daar ging het faliekant mis.

De overheid wilde iets doen aan het gebruik van grind. Want het afgraven van zand en grind beschadigt natuurgebieden. En het waterpeil in omliggende gebieden daalt erdoor. De overheid wilde dat betonbedrijven het grind deels gingen vervangen door vermalen bouw- en sloopafval, zogeheten granulaat. Wat er vervolgens gebeurde? Vermeulen vertelt er smakelijk over bij hem thuis aan tafel, in het Brabantse dorpje Zeeland. „Mensen in de betonsector vertelden mij dat granulaat te duur is. Dat de kwaliteit niet goed is. En dat er niet genoeg van is. Ik dacht, ik ben snel klaar met deze case.” Totdat een bevriend adviseur hem vertelde dat het allemaal onzin was. Vermeulen stuitte op een onderzoek uit de jaren tachtig, waaruit bleek dat je makkelijk 20 procent van het grind kunt vervangen door granulaat. „Soms zelfs 100 procent, als je lager dan drie verdiepingen bouwt”, zegt hij. Dat er te weinig granulaat zou zijn, bleek onzin. En dat het te duur was, ook. „Maar de betonindustrie wilde er gewoon niet aan. En nog steeds niet.”

Waarom niet?

„Wat meespeelt is dat de bazen van betonbedrijven goeie maatjes zijn met de leveranciers van zand en grind. Toen de overheid in Nederland een exploitatieverbod invoerde op zand en grind, gingen veel bedrijven het gewoon halen in Duitsland. Ook al verhoogde dat de kosten. De producenten van granulaat waren goedkoper. Maar er is meer. Het gaat om diepgewortelde overtuigingen. Beton met granulaat is in hun ogen geen beton meer. Als je aan hun beton komt, kom je aan hun identiteit.”

Is dat vergelijkbaar met de anekdote in uw boek over de brandweermannen die vast kwamen te zitten in een bosbrand?

„Ja. Ze moesten een heuvel op vluchten. Hun commandant riep dat ze hun bepakking af moesten werpen. Dan waren ze sneller en konden ze het misschien nog redden. Maar hun uitrusting was hun identiteit. Dat afwerpen? Nooit. Ze verbrandden.”

Het is voorstelbaar dat de betonindustrie zich verzet omdat de verandering wordt opgelegd door de overheid. Maar volgens u geldt het ook voor innovaties die uit het eigen bedrijf komen.

„Dat zag ik bij banken. De overheid introduceerde meer marktwerking, en banken kwamen daarop met combinatieproducten. Een hypotheek en een levensverzekering. Beleggen samen met sparen. Ik vind dat niet heel innovatief, maar goed. Intern hadden bedrijven vreselijk veel moeite om producten ontwikkeld te krijgen. De weerstand zat met name in de middenlaag van de organisatie. Al die managers die ervoor moesten zorgen dat de zaken gewoon netjes liepen. Die zaten niet te wachten op al die innovaties. Het strookte niet met hun idee van een bank. Die moet niet al te veel rare dingen doen.”

„In de kinderopvang gebeurde iets dergelijks. Door de marktwerking vanaf 2005 werd een fundamentele basishouding ter discussie gesteld: mag je de zorg voor kinderen combineren met winst maken? Sommige ondernemingen hebben vernieuwende concepten ontwikkeld. Dag- en nachtopvang. Boodschappenservice. Kantoorruimte naast de opvang waar ouders kunnen werken en afspreken. Maar grote groepen werknemers hebben toch veel moeite met de commerciële inslag. Met name de mensen uit het klassieke welzijnswerk. Kinderen, daar zorg je gewoon goed voor. En de overheid moet dat faciliteren, liefst gratis. Die traditionele ideeën houden veel tegen.”

Is dat goed of slecht?

„Daar doe ik geen uitspraak over. Ik constateer het.”

Gaat de commercie niet ten koste van de kwaliteit?

„Ik weet niet of dat al onderzocht is. Ik zie wel dat binnen de commerciële organisaties de werknemers meer tijd besteden aan contact met ouders. Ze gaan ook regelmatiger op cursus. Dat is allemaal tijd die je niet meer aan de kinderen besteedt. De kans dat er kwaliteitsverschillen optreden tussen de commerciële en minder commerciële instellingen, is inderdaad wel aanwezig.”

Moeten we innovatie dan wel zo najagen? Nederland is op de wereldranglijst van meest concurrerende landen gestegen van de achtste naar de zevende plek. Zo slecht doen we het toch niet?

„Zeker niet, maar het kan veel beter. Er is denk ik een groot risico als je het niet doet. De vernieuwingen in opkomende economieën gaan heel snel.”

Wat is uw advies?

„Je moet mensen binnen hun bedrijf en binnen hun industrie naar zichzelf laten kijken. Ze leren zien wat hun vastgeroeste ideeën en gewoontes zijn, en ze de vraag laten stellen of die nog passen in deze tijd. Je kunt wel GroenLinks stemmen, maar ben je ook bereid de fiets te nemen naar je werk in plaats van de auto. En drie keer per week geen vlees meer te eten.”

U noemt iets een institutie als het zo vanzelfsprekend is geworden dat men het niet meer ziet. Maar hoe moeten bedrijven en organisaties leren naar iets te kijken wat ze niet meer zien?

„Daar moeten ze dus hulp bij vragen.”

Van wie?

„Wetenschappers.” Uitbundig gelach.

Nog meer tips?

„Breng innovaties in geleidelijke stapjes. Edison introduceerde zijn eerste gloeilamp eind negentiende eeuw niet als een radicale vernieuwing, wat het wel was. De lamp had de vorm van een vlammetje, omdat het gaslicht dat mensen gewend waren ook die vorm had. Je moet het voorstellingsvermogen van de mensen niet te veel op de proef stellen. Dat keert zich tegen je.”