Liederen van een zwarte romanticus

Aflevering 8: over de chansons van de Belgische zanger Jacques Brel (1929-1978).

©

De twee YouTube-filmpjes verschillen weinig van elkaar, alleen in lengte en in camerastandpunt. Maar allebei staan ze garant voor kippevel. We zien een man in jarenzestigpak met een losse das, type Hans van Mierlo, die een lied zingt. Het begint rustig met de woorden ‘Dans le port d’Amsterdam’, maar binnen drie minuten heeft hij zichzelf tot grote emoties opgezweept. Terwijl hij zingt over de kroegen, de hoeren en de zeelieden in de haven van Amsterdam, vormt zich een laagje zweet op zijn gezicht. De accordeon op de achtergrond gaat steeds sneller, zijn bewegingen worden wilder, al blijven ze stijlvol; zijn haar schiet uit de pommade, en bij de finale (‘Et ils pissent comme je pleure / Sur les femmes infidèles’) is hij al praktisch buiten adem.

Dit is Jacques Brel, optredend in de tempel van het Franse chanson, het Parijse Olympia, waar in 1964 zijn beroemdste liveconcert op de plaat werd vastgelegd. Een in Brussel geboren Belg die – samen met Aznavour, Bécaud, Ferré en Gréco – het enigszins ingedommelde Franse chanson nieuw leven had ingeblazen met poëtische teksten en overrompelende concerten waar zijn ziel en zaligheid in besloten lag. Een Franstalige Vlaming die in een variatie op een Engelse traditional (‘Greensleeves’) zong over een Nederlandse havenstad en daarmee Europa en de rest van de wereld veroverde.

‘Amsterdam’ werd gecovered door onder meer Nina Simone, Scott Walker, David Bowie, Hildegard Knef, De Dijk en The Dresden Dolls en door popgroepen uit Polen, Finland en Slovenië. Een week geleden eindigde het bij de verkiezingen voor een ‘Amsterdams lijflied’ in Het Parool op een derde plaats, achter ‘Oude wolf’ van Trio Bier (het gevolg van een internetlobby) en de gedoodverfde winnaar ‘Aan de Amsterdamse grachten’. En dan te bedenken dat het oorspronkelijke onderwerp van deze stomende wals niet eens Amsterdam was maar Antwerpen, wat jammer genoeg voor de Belgen in het Frans een lettergreep te weinig telde.

Misschien dat Brel (1929-1978) het de Belgen niet gunde. Zijn leven lang, in Parijs en op het Zuidzee-eiland Hiva Oa, had hij een getroubleerde verhouding met zijn geboorteland, dat hij in 1953 verlaten had en in interviews beschreef als een ‘faux pays’, waaraan je alleen kon ontsnappen door Europeaan of wereldburger te worden; een boers en burgerlijk moeras dat ervan langs kreeg in liedjes als ‘Les Flamandes’ (1959) en ‘La…la…la…’ (1967). Een jaar voor Brels dood door longembolie had een lied van zijn laatste langspeelplaat zelfs tot een rel in Vlaanderen geleid. In ‘Les F…’ hekelde Brel de strijders voor de Vlaamse cultuur als achterlijke en gevaarlijke hypocrieten, ‘nazi’s tijdens de oorlogen en katholieken ertussen’. Hij beschuldigde ze van humorloosheid en van indoctrinatie (‘ik verbied u om onze kinderen te verplichten Vlaams te blaffen’). ‘Wanneer beschaafde Chinezen vragen waar ik vandaan kom’, zo luidde de subtielste zin van de tekst, ‘dan antwoord ik met tranen tussen mijn tanden “Ik ben van Luxembourg”.’ Waarbij de belediging extra hard aankwam doordat Brel alleen dit ene zinnetje in het Nederlands zong.

Maar net als in het geval van andere beroemde ballingen – de Romein Ovidius, de Dubliner Joyce, de Oost-Duitser Biermann – was Brels verhouding tot zijn vaderland er een van haat én liefde. Je hoeft niet bepaald Brels obscuurste werk te beluisteren om ontroerende odes aan Vlaanderen te vinden: ‘Mon père disait’ bijvoorbeeld, waarin prachtige zinnen staan over de noordenwind ‘die de dijken bij Scheveningen doet breken’ en die ervoor zorgt ‘dat onze meisjes het delicate haar van ons kant hebben’; ‘La bière’, dat overloopt van Uilenspiegel, Brueghel en ‘Godferdomme’; en natuurlijk ‘Le plat pays’, Brels knarsetandende liefdesverklaring aan het land dat het zijne was, een lange leegte verkild door wind en lage luchten; gezongen met een overgave en een melancholie die je verplaatst naar de sufgebeukte, winderige polders achter de duinen. En zo beschreef hij ook het Brussel van voor de oorlog (‘au temps où Bruxelles bruxellait’), het Oostende van de wachtende vissersvrouwen, Knokke-le-Zoute in de regen en Luik in de sneeuw.

Elle est dure à chanter, la belgitude’ schreef Brel, geboren in het jaar dat Simenon zijn eerste roman schreef en Hergé zijn eerste Kuifje tekende, in een van zijn notitieblokken. Net als zoveel andere Belgen stelde hij zichzelf zijn leven lang de vraag wat het betekent om Belg te zijn, onderdaan van een verdeeld bananenkoninkrijk met twee (of eigenlijk drie) taal- en cultuurgebieden die op voet van oorlog met elkaar verkeren; een staat die in de woorden van ‘Le plat pays’ vecht, wacht, kraakt en juicht. Maar juist die twijfels, die zo actuele getourmenteerdheid (want worstelen we niet allemaal met de vraag wat het betekent om Nederlander, Griek, Europeaan te zijn?), hebben hem bij zovelen populair gemaakt.

De zwarte romanticus Jacques Brel is door zijn non-conformisme en zijn invloed op onder meer Bob Dylan, Leonard Cohen en David Bowie een van de weinige Franse chansonniers met een rock-’n’-roll-imago dat verder reikt dan de grenzen van de République. En anders dan bijvoorbeeld Serge Gainsbourg heeft hij het genre van het chanson nooit verloochend. Brel mag dan 33 jaar dood zijn, hij heeft het Franse lied-met-een-literaire-tekst de 21ste eeuw ingeloodst. Zie de miljoenen hits op YouTube.