Kraakhelder en feestelijk de waarheid promoten

The Magic of Reality Richard Dawkins en geïllustreerd door Dave McKean, Transworld Publishers, 272 blz., € 26,99. (Vertaald als: De betoverende werkelijkheid, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, €19.95.)

Ha, dat komt zelden voor: dat je zit te gniffelen om een boek over wetenschap. Maar bij The Magic of Reality overkomt het je keer op keer. Is het niet om de droge opmerkingen van superbioloog en popularisator Richard Dawkins, dan wel om de grappige – en trouwens ook prachtige – illustraties van de veelgeprezen superillustrator Dave McKean. De twee heren hebben een heerlijk boek gemaakt, een feest om te lezen en als je het dichtslaat ben je nog wijzer ook.

Dawkins zou Dawkins niet zijn als hij aan het boek ook niet een boodschap had geknoopt. In eerdere boeken als The Selfish Gene en The God Delusion ontpopte hij zich al als een atheïst, die zijn visie op haast fundamentalistische wijze uitdraagt. (Ja, die bussen met het opschrift There’s probably no God, reden mede op Dawkins initiatief door Londen). Zijn jongste boek kun je nu zien als zijn ‘kinderbijbel’.

De ondertitel How we know what’s really true verraadt waar het Dawkins om gaat. Hij wil niet alleen uitleggen hoe wetenschap werkt en wat wetenschap ons geleerd heeft over de wereld om en in ons. Dawkins wil ook afrekenen met alle scheppingsverhalen, mythes, verdichtsels, broodje-aap-geschiedenissen, kwakzalverij en (bij)geloof die met ‘de waarheid’ een loopje nemen.

Dawkins wil duidelijk maken hoe je het kaf (zulke fictie dus) van het koren (de ware wetenschap) kunt scheiden. En hij richt zich daarbij op oudere kinderen – twaalfplussers zo te zien. Maar gelukkig vallen daaronder ook alle twintigers tot en met negentigjarigen, want niemand kan zo kraakhelder en meeslepend schrijven over, bijvoorbeeld, evolutie.

Vloeiend stapt Dawkins over van een pompoen die in een koets verandert (ongeloofwaardige magie) naar een vis die in een mens verandert (evolutie en helemaal waar). Onovertroffen legt hij daarna uit wat een ‘genenpoel’ ermee te maken heeft. En hoe de strijd om het voortbestaan misschien zelfs bepaalde karaktereigenschappen in de hand heeft gewerkt – denk aan de schichtige antilopen, eeuwig op hun hoede voor panters of aan, in een ietwat doorgeslagen variant, een paranoïde mens.

Dawkins snijdt ook kwesties buiten de biologie aan. Met zwier en vaart introduceert hij bijvoorbeeld het periodiek systeem van elementen en maakt hij duidelijk dat atomen voor het leeuwendeel bestaan uit, tja, uit niets. Uit lege ruimte. Maar hoe kan het dan, vraagt hij zich namens de lezer af, dat een mens (grotendeels lege ruimte dus) toch niet door een muur (in wezen ook erg leeg) kan lopen? Voor het antwoord: lees het boek.

De verschillende kwesties zijn daarin ondergebracht in hoofdstukken die heldere vragen als namen dragen: Wie was de eerste mens? Waarom zijn er zoveel verschillende dieren? Wat is een regenboog? Of: waarom gebeuren er nare dingen?

Dawkins begint zo’n hoofdstuk steeds met een mythe (van de oude joden in Israël, de aboriginals in Australië, de Dogon uit West-Afrika of over Jezus) die óók antwoord op de vraag probeert te geven. Een magisch antwoord. Magisch, niet in de zin van goochelarij, van trucs. Maar magisch in de zin van ‘bovennatuurlijk’, en ‘wonderbaarlijk’. Daarna laat hij zien hoe het echt zit, en vooral: hoe magisch ook de werkelijkheid is – als je er maar even bij stilstaat.

Dat zou gemakkelijk drammerig kunnen worden. Maar dat gebeurt niet. Dat komt door Dawkins toon: vaak wijs, wat vaderlijk, soms knorrig, prettig ironisch en immer glashelder. En zeer zeker ook door al die geestige en lichtvoetige tekeningen van McKean die extra dimensies aan het boek geven.

En ja, Dawkins opvattingen over mythen, sagen, literatuur en religie lijken nogal eendimensionaal. Instemmend haalt hij ergens Oscar Wilde’s karakter Miss Prism aan die fictie simpelweg definieert als iets waarin ‘het met de goeden goed afloopt en met de slechten slecht’. Dat verhalen en mythen niet alleen mooi of aangenaam hoeven zijn, maar óók tot denken kunnen stemmen, de verbeelding prikkelen, dubbelzinnig en filosofisch bedoeld kunnen zijn, dat lijkt intussen aan Dawkins niet besteed.

Maar ach, je vergeeft het hem meteen, want echt: niemand kan zo helder uitleggen wat goochelarij en kwakzalverij onderscheidt van echte waarheidsvinding. En niemand anders schrijft zo vrolijk en zo aanstekelijk enthousiast over wetenschap.

Margriet van der Heijden