Knarsende vissen bijten niet

Bemanningen aan boord van de eerste onderzeeboten, ongeveer een eeuw geleden, wisten niet wat ze onder water hoorden. Het was daar af en toe een kabaal van jewelste. Geen gemurmel van water, maar geklik, geratel, geroffel. Gek!

Biologen onderzochten wat er aan de hand was. Soms was er herrie van zingende walvissen en dolfijnen, soms van luidruchtige garnalen. Maar veel van het lawaai bleek afkomstig van vissen. Dat had niemand gedacht.

Sindsdien hebben biologen talloze keren vastgesteld dat ook vissen, die er toch nogal doof uitzien, stampij kunnen maken, met tanden, klappende luchtbellen of trommelende zwemblazen. Luisteren doen ze met hun zijlijnsysteem, een soort lang gerekt oor, dat van de kieuwen over de flanken naar de staart loopt.

Dat piranha’s, die enge bijtgrage happers uit Zuid-Amerika die erom bekend staan een te water geraakt paard in een kwartiertje te kunnen kaal knagen, ook knisperen en knarsen, dat wisten die biologen allang. Maar wat deze roofvissen bedoelen met dat geroffel en geknetter, dat weten ze pas sinds die onderzoekers lang in een piranha-aquarium hebben gekeken (en dat staat in The Journal of Experimental Biology van 13 oktober). Een type geluid dat de biologen snel gingen herkennen, klonk als geblaf. Dat kwam van spiertjes die op de zwemblaas beukten. Daarmee bedoelt de piranha: “Wegwezen, want anders…!” Een tweede kabaal, een soort grommen, ook gemaakt met die zwemblaasspiertjes, valt te horen als twee piranha’s met elkaar aan het vechten zijn: “Ik maak je dood!”

Een derde type klank heeft de engste herkomst: het knarsen met vervaarlijke, messcherpe tanden. Dat doen piranha’s als ze, bijvoorbeeld, lekker een stukje verdronken paard aan het eten zijn en een andere piranha komt net iets te dichtbij. De etende bijter waarschuwt zo zijn collega: “Pas op, want als je mijn hapje pikt, moet ik met je vechten.” En dat is eigenlijk ook wel weer aardig van die piranha.

Menno Steketee